Het is een goedgemutste Nikolas Maes die we op een gezapige herfstdag in de lobby van Blue Woods Deerlijk aantreffen. De 33-jarige Otegemnaar mag dan al bijna tien jaar zijn geboortestreek voor Oost-Vlaanderen ingeruild hebben, terugkeren naar zijn roots doet hem nog altijd goed. Maes glimlacht. "Of je mij wegkapitein van Lotto-Soudal mag noemen? De ploeg stelt mij alleszins heel vaak in die rol op. Dus ja, daar kan ik wel mee leven."
...

Het is een goedgemutste Nikolas Maes die we op een gezapige herfstdag in de lobby van Blue Woods Deerlijk aantreffen. De 33-jarige Otegemnaar mag dan al bijna tien jaar zijn geboortestreek voor Oost-Vlaanderen ingeruild hebben, terugkeren naar zijn roots doet hem nog altijd goed. Maes glimlacht. "Of je mij wegkapitein van Lotto-Soudal mag noemen? De ploeg stelt mij alleszins heel vaak in die rol op. Dus ja, daar kan ik wel mee leven." ***"Ik was twaalf jaar. Dan concentreer je je niet op één sport. Dan sport je gewoon. Ik fietste. En ik liep. Het was dus logisch dat ik aan duatlons deelnam. Ik werd Belgisch kampioen, maar vraag me niet in welke leeftijdscategorie dat was. Ik denk zelfs dat ik duatlon en wielrennen ben blijven combineren tot en met mijn eerste seizoen bij de nieuwelingen. (korte stilte) Het kan ook een jaartje vroeger zijn. (grijnst) We praten wel over bijna 20 jaar geleden, hé.""Bij de aspiranten trainde ik niet. Eigenlijk was het beschamend. Elke woensdagnamiddag fietste ik naar mijn toenmalige vriendin in Moen. A bloc reed ik van Otegem naar daar en twee uur later reed ik terug. Ook à bloc. Dat was mijn training. Natuurlijk was ik daarnaast nog veel in beweging, met mijn twee broers, Kristof en Michaël. We deden van alles en nog wat. Ik raad het elke aspirant aan. Op die leeftijd wordt er tegenwoordig veel te professioneel gewerkt, denk ik. Fietsen is een fysieke sport. Zolang je geen groeispurt hebt gehad, kan je niet echt trainen. Op die leeftijd moet je dus vooral graag sporten. Zoveel mogelijk dingen uitproberen. En uitzoeken waar je goed in bent.""Als 13-jarige aspirant won ik alles. Op één wedstrijd na: de Euro Fête in Francorchamps, een soort van Europees kampioenschap voor aspiranten. Ik herinner me een sterke Zwitser, Alain Lauener. Als junior of belofte heb ik hem nog eens op een startlijst van een wedstrijd gezien, maar voorts heb ik er nooit meer iets van gehoord. Zo zie je maar... Wie me wel is bijgebleven, is Daniel Oss. Hij is van 1987, reed dus een categorie lager bij de 12-jarigen, en eindigde daar ook op het podium.""Wat vooral heel grappig is: op dat moment ga je daar enorm in op. Nu, na een carrière van 20 jaar, denk ik: hoe relatief is dat allemaal? Maar toen was dat het belangrijkste in mijn leven. Ik won bijna al die wedstrijdjes en kon op den duur alleen maar verliezen. Dat zorgde voor onnodige stress. Stress die onvermijdbaar was. Ook door mijn entourage. Een jongen van die leeftijd kan enorm door zijn omgeving beïnvloed worden. Als daar dan enkele mensen agressief reageren, ga je daarin mee. Het toont aan hoe belangrijk een goeie entourage is.""Als 14-jarige aspirant heb ik op de piste van Zwevegem Geert Tiebergyn leren kennen. Hij liep daar rond met zijn zoon Kim, die ook koerste (en de voorbije jaren de motard was van onder meer topfotograaf Tim De Waele, red.). Geert heeft me toen uitgenodigd om aan zijn wintertrainingen deel te nemen. Die vonden plaats in Body Gym, aan het zwembad van Zwevegem. Hij werkte samen met de triatleten van het No Limit Team uit Zwevegem. Ik ben nog met hen op stage geweest. Ik herinner me dat we in een chalet in de Ardennen verbleven en veel plezier hadden. We trainden goed, maar in een ongedwongen sfeer. Het is een schoolvoorbeeld van hoe het op die leeftijd moet zijn. Het was geen kamp, maar het leek er wel op. Kim, Brecht en Wouter Lavaert, Jeroen Defeyter, Alphonse en Julien Vermote, Wesley Gadeyne, Mathias Vanmarcke, Toon Declercq, Arne Scherpereel... Deze winter komen we nog eens samen. Ik organiseer een tocht met de mountainbike. (grijnst) 't Zal gene gemakkelijken zijn.""In 2002 reed ik voor WT Affligem. We hadden een sponsor uit de Franse Alpen: Hotel l'Atre Fleuri. We gingen er zelfs een weekje op stage in de cols. Wij, renners, stelden er ons weinig vragen bij. Bleek het wel om een spooksponsor te gaan zeker... Enkele ouders, onder wie die van mij, zijn zelfs moeten bijspringen om het seizoen te kunnen uitdoen.""Als nieuweling reed ik ook twee keer de Jugend Tour in Oostenrijk. In 2001 was Andy Schleck een van onze tegenstanders. In 2002 wonnen we alles wat er te winnen viel. Ik won twee ritten, Pieter Jacobs de twee andere en het eindklassement. Thomas De Gendt pakte de bolletjestrui. De andere Belgen waren Kevin Seeldraeyers, Jan Bakelants en Ben Hermans. Straf dat iedereen uit die nationale selectie van Rony Vanmarcke prof is geworden.""De wintertrainingen zoals ik die met Geert deed, vind ik heel belangrijk als nieuweling. Kracht, stabilisatie... Voor zoiets moet je goed begeleid worden en Geert deed dat. Elke dinsdag- en donderdagavond fitness, één tot anderhalf uur lang. In het weekend deden we een groepsrit van drie uur langs de Leie en Schelde.""Als nieuweling was het door de toenmalige puntentelling onmogelijk voor mij om WestSprint te winnen. Alleen in West-Vlaamse kermiskoersen vielen veel punten te pakken. In 2002 won Mathias Delameilleure. Als zijn naam valt, moet ik spontaan denken aan kniebandjes, lang haar, wielen van Spinergy en een helm van Briko. (glimlacht) Heerlijk toch, die herinneringen aan toen.""In 2003 kwam ik uit voor het Wielerteam Waasland van Rik Devoogdt. Op het einde van het jaar mocht ik niet mee naar het WK in Hamilton. Weet je trouwens waarom? We moesten aan bondscoach Carlo Bomans doorgeven hoeveel we zoal getraind hadden. Ik had beter wat gelogen, maar gaf alles eerlijk door. Alleen, dat was echt weinig. En dus belde Carlo me verontwaardigd op. Dat het niet kon dat ik zo weinig trainde. (lacht) Hij had ergens een punt: dat jaar was ik een beetje ondertraind. De reden daarvoor? Geert benadrukte me altijd dat ik niet te vroeg te veel mocht doen. Achteraf gezien is dat een goeie zet geweest. Als ik naar de namen van goeie juniores in 2003 kijk, zijn er veel van tussenuit gevallen, terwijl ik nog veel progressie heb geboekt.""Als tweedejaarsjunior ben ik wel deftig beginnen te werken. Meer uren op de fiets vooral. Ik trainde iets intensiever en werd nog meer begeleid. In die periode is ook de wintertraining bij Michiel Delva (een bekende osteopaat uit Menen, red.) erbij gekomen, samen met Stijn Devolder, Maxim Debusschere, de broers Vermote... Bij hem werkten we altijd met gewichten, met een bar van acht kilogram. Het was een soort van voorloper van de core stability. Michiel doet dat trouwens nog altijd. Twee jaar geleden ben ik nog eens een hele winter naar hem geweest om alles herop te frissen.""Eén van mijn grootste concurrenten bij de juniores was Maxime Vantomme, die heel explosief was. Bij de profs is hij echter nooit helemaal kunnen doorbreken, maar oké, dat kan ik misschien ook van mezelf zeggen. Het is niet zo eenvoudig. Bij de beloften zie je vaker getalenteerde renners die heel explosief zijn, maar eenmaal bij de profs komen er duurvermogen en veel weerstandskilometers bij. Daardoor neemt de explosiviteit af, iets wat je bij heel wat jonge profs al na één seizoen vaststelt. Wist je dat ik bij Quick.Step Tom Boonen in een kort sprintje altijd versloeg? In koers was het echter Tom die won, op de kracht. Een heel atypisch geval daarin is Mathieu van der Poel, al is de verklaring daarvoor volgens mij niet ver te zoeken. Mathieu rijdt niet zoveel zware wegkoersen. Die maken een renner loom. In plaats daarvan gaat hij lekker mountainbiken. Een slimme keuze.""In 2005 maakte ik mijn beloftedebuut bij het grote Beveren 2000. Kijk maar naar de namen van mijn ploegmaats in die twee jaar: Meersman, Bakelants, Hermans, Seeldraeyers, Devenyns, De Backer, Vantomme, Vandewalle, Neirynck, Joseph, Nolf, Vanspeybrouck... Geert Tiebergyn was in die periode nog altijd mijn trainer. Hij vroeg veel tips aan Dirk Demol (Tiebergyn was verzorger bij Discovery Channel, waar Demol als ploegleider aan de slag was, red.) en die werden vervolgens in mijn trainingsprogramma geïntegreerd.""Mijn ploegleider bij Beveren 2000, Wim Feys, kon maar niet begrijpen dat ik me tijdens de groepstrainingen in de winter bergop altijd liet lossen. Dat klopt niet helemaal. Typisch voor die trainingen was dat iedereen altijd en overal à bloc zat te rijden. Ik wilde me niet forceren en reed dus op mijn gemak. Wim maakte zich daar boos om en heeft zelfs nog naar mijn trainer gebeld. Waarop Geert zei: Nikolas, je zal toch één keer à bloc omhoog moeten rijden. Dat heb ik dan ook gedaan. Ik kwam als eerste boven op een bergje in de Westhoek. Toen was het goed voor Wim en kon ik me weer laten lossen. (glimlacht) Ik raad het iedereen aan.""Als eerstejaarsbelofte presteerde ik heel regelmatig, maar in september behaalde ik in mijn laatste koers van het seizoen, de Topcompetitie in Hotton, nog een ferme uitschieter. Net na de start reed ik lek. Ik kreeg een nieuw wiel en kon op mijn gemakje weer naar het peloton rijden, terwijl ze à bloc aan het koersen waren. Dacht ik in mezelf: tiens, ik heb precies een goeie dag. In de finale raakte ik met vier man voorop: Johnny Hoogerland en Robert Gesink van Rabobank en Francis De Greef en Jelle Vanendert van Jong Vlaanderen. In de laatste ronde liet De Greef een gat vallen voor Vanendert, maar ik had het vlug door en ging op en over hem. Die zege in Hotton was een klik. Toen besefte ik: het is de moeite om ervoor te gaan.""Na mijn overstap naar de profs is vooral het trainingsvolume nog toegenomen. Ik ging ook gerichter trainen: op explosiviteit, op kracht... Nooit werkte ik met uitgelijnde schema's, maar ik kreeg vanuit het team waarvoor ik reed wel richtlijnen en type trainingen voorgesteld.""Er is sinds mijn profdebuut in 2007 veel veranderd. Dat is al bijna dertien jaar geleden, hé. Het is een andere benadering nu. Het wielrennen is tien keer professioneler geworden. Toen ik de overstap maakte, was het verschil tussen beloften en profs veel groter. Nu staat de begeleiding bij de beloften al bijna op het niveau van de profs. Je mag iemand als Remco Evenepoel natuurlijk niet als maatstaf nemen, maar de overstap naar de profs is geen schok meer.""Of ik tevreden op mijn carrière terugkijk? (knikt) Eigenlijk zou het pas logisch geweest zijn als ik nooit coureur was geworden. Iemand die bij de aspiranten top is, schopt het immers zelden tot bij de profs. Meestal is het dan tegen de beloften al gedaan met koersen. (neemt er de einduitslag van WestSprint 2003 bij, red.) Bekijk die namen maar eens. Tom Windels, Alexander Clynhens, Jurgen François... Allemaal goeie nieuwelingen en juniores, maar nu koersen ze al lang niet meer. Tot en met de beloften heb ik altijd een hoog niveau gehaald, maar als jonge prof ben ik afgeremd door een aneurysma, een vertakking van de slagader naar de maag. Dat heeft me twee jaar doen verliezen, maar ik ben er uiteindelijk wel van hersteld en kreeg de kans om naar Quick.Step te gaan. Daar ben ik Patrick (Lefevere, red.) nog altijd dankbaar voor."***Het interview loopt op zijn einde. Nikolas Maes staart voor zich uit. "Ik denk dat ik volgend jaar bij Lotto-Soudal één van de oudste renners van de ploeg zal zijn. Hoelang ik nog zal koersen, weet ik niet. Sowieso heb ik nog een contract voor 2020 en daarna zou ik zeker nog voor twee seizoenen willen bijtekenen. Ik doe het nog graag en wil me focussen op wat ik nu doe. Bij de ploeg weten ze intussen wel wat ze aan mij hebben. Ik behaal geen uitschieters, maar ken ook geen slechte periodes. Wat na mijn carrière volgt, zien we dan wel. Ik ben iemand met veel interesses en ideeën, maar voor de rest wil ik me daar nog niet te veel over uitspreken."