Ex-prof Ronny Vanmarcke (74) blijft de jeugd volgen: “Eerstejaarsjunioren zijn nu meteen mee!”

Ronny Vanmarcke kijkt nog altijd naar de jeugd: “Ik ben op pensioen, maar ik blijf het volgen. Ik denk dat het een verslaving is.” (foto Frank) © Frank Meurisse
Hans Fruyt
Hans Fruyt Medewerker KW

Na twee moeilijke coronajaren draait het jeugdwielrennen opnieuw op volle toeren. Ex-prof Ronny Vanmarcke (74) blijft het op de voet volgen en stuurt nog wel eens een tip over een beloftevolle jongere richting de nationale coachen.

Zondag trekt de ex-prof uit Lendelede naar Damme. Om de Guido Reybrouck Classic, een UCI-koers voor junioren, én de afwachtingswedstrijd voor nieuwelingen te volgen. “Twee koersen voor de prijs van één”, lacht de man die dertig jaar lang voor de federatie het jeugdwielrennen op de voet volgde. “Ik ben op pensioen, maar ik blijf het volgen. Ik denk dat het een verslaving is.”

Vanmarcke stelt hetzelfde vast als wij: door de twee coronajaren duiken bij de junioren plots nieuwe namen op. Zoals bijvoorbeeld die van Bert Bolle, drie weken geleden in Kuurne-Brussel-Kuurne voor junioren negentiende. “Hele mooie uitslag”, bevestigt Vanmarcke. “Want een UCI-wedstrijd over veel kilometers, met een strakke wind en een heuvelzone waarin de hellingen elkaar heel kort na elkaar opvolgen. Met de Limburger Sente Sentjens zag ik daar een interessante winnaar. Bovendien een eerstejaarsjunior.”

100 omwentelingen

Ook dat valt op: Belgische eerstejaarsjunioren laten zich door buitenlanders niet (meer) naar de slachtbank leiden. In Nokere Koerse, in ons land de tweede UCI-wedstrijd voor U19, volgde de bevestiging. Jarno Widar, gouw- én jaargenoot van Sentjens, schreef deze koers in een sprint met drie op z’n naam. Op de kasseien van Nokereberg hield hij een Noor en een Sloveen af.

In een tijdrit van tien kilometer mag je niet op één minuut of meer gereden worden

“De laatste jaren is dat een opvallende vaststelling: eerstejaarsjunioren doen meteen goed mee”, gaat Vanmarcke verder. “Maar een jaar later stellen we vast dat ze als tweedejaars niet dezelfde stap vooruit zetten. Ik ben ervan overtuigd dat dit met souplesse te maken heeft. Vaak schakelen ze te vlug over op een groter verzet. Een trapfrequentie van 100 omwentelingen per minuut moet je proberen aanhouden. Van mij moeten jeugdrenners op training geen 35 kilometer per uur rijden. Dat mag 25 per uur zijn, op voorwaarde dat ze naar 105 tot 110 omwentelingen per minuut gaan. In dat geval bewaren ze hun souplesse.”

Vorige zondag trok Vanmarcke naar de kermiskoersen in Edewalle-Kortemark. Bij de nieuwelingen raakte hij gecharmeerd door Zeno Durie, bij de junioren door Brent Baert. “In de eindsprint speelde Zeno niet mee voor de beste prijzen, maar hij koerste wel heel goed mee”, aldus Vanmarcke. “Junior Brent Baert zag ik ook een interessante wedstrijd afwerken. Ik moet eerlijk bekennen dat ik er vanuit ging dat Brent geen West-Vlaming is. Maar dat is hij wel. Ik zag ook al veelbelovende dingen van Niels De Clerck, de provinciale kampioen.”

Belang van tijdrit

Ook al is hij niet meer in dienst bij de federatie, toch maakt Ronny Vanmarcke nog altijd notities over wat hij ziet en wat hem opvalt. Hij kijkt uit naar de tijdritten die eraan komen. Het West-Vlaams kampioenschap van 13 april in Ruddervoorde en de Belgische titelstrijd voor de jeugd op 1 mei in Gavere.

“Tijdrijden is heel belangrijk”, benadrukt hij. “Je mag bij de jeugd jaarlijks tien tot vijftien wedstrijden winnen, maar in een tijdrit van tien kilometer mag je niet op één minuut of meer gereden worden. Kijk maar eens naar het verleden van Jasper Philipsen. Hij is nu één van de beste sprinters ter wereld, maar als je bij de jeugd zijn uitslagen in het tijdrijden overloopt, zal je merken dat hij in die discipline zelfs Belgisch kampioen werd.”

Zeg et ne keer

Waar heb je een fout gezien of heb je zelf een suggestie? Laat het ons dan weten.