De Belgische vissersvloot, in 1950 nog goed voor ruim 450 schepen, houdt vandaag maar 68 vaartuigen meer over (zie grafiek rechts onderaan). De O.316 Aegir hoort daar vreemd genoeg nog altijd bij. Hoewel het schip sinds 2016 in Spaanse handen is, vaart het nog steeds onder Belgische vlag. Belgische vissersvaartuigen waarvan de eigenaars geen Belgen zijn, het komt meer en meer voor. Naast twee schepen in Spaanse handen zijn ook enkele Nederlanders eigenaar van Belgische vaartuigen. Een exact cijfer is moeilijk te krijgen. "Alle Belgische vissersschepen behoren toe aan Belgische vennootschappen, ook als de eigenaars geen Belgen zijn", luidt het bij de Rederscentrale. "Bovendien veranderen ze regelmatig van eigenaar."
...

De Belgische vissersvloot, in 1950 nog goed voor ruim 450 schepen, houdt vandaag maar 68 vaartuigen meer over (zie grafiek rechts onderaan). De O.316 Aegir hoort daar vreemd genoeg nog altijd bij. Hoewel het schip sinds 2016 in Spaanse handen is, vaart het nog steeds onder Belgische vlag. Belgische vissersvaartuigen waarvan de eigenaars geen Belgen zijn, het komt meer en meer voor. Naast twee schepen in Spaanse handen zijn ook enkele Nederlanders eigenaar van Belgische vaartuigen. Een exact cijfer is moeilijk te krijgen. "Alle Belgische vissersschepen behoren toe aan Belgische vennootschappen, ook als de eigenaars geen Belgen zijn", luidt het bij de Rederscentrale. "Bovendien veranderen ze regelmatig van eigenaar.""Het is heel toevallig gegaan", zegt Danny Pieters. "Ik speelde met het idee om mijn schip te verkopen en praatte daarover met een schipper uit Bretagne, met wie ik al lang contact heb. Hij had zijn schip ook overgelaten aan een Spanjaard en bracht me in contact met de Spaanse koper. Die is eens komen kijken in het Engelse Milford. Maar het heeft dan nog een jaar geduurd voor de verkoop rond was. Ik heb het schip nog helemaal up to date gezet alvorens ze een aanvaardbaar bod uitbrachten.""Sinds 2013 ging ik al niet meer zo veel op zee. Dat deden mijn zoon Ray en zijn bemanning. Ook na de verkoop bleef ik de activiteiten van het schip vooral leiden van aan de kant. Dat was nog een intensieve periode. Er was veel te regelen en ik was meer op mijn gemak als ik zelf op zee was. Thuis vraag je je de hele tijd af hoe het zou zijn", mijmert Danny."Het was de eerste keer dat een Belgisch schip aan een Spanjaard werd verkocht, al kocht dezelfde reder intussen een tweede schip in Zeebrugge. Mijn schip verkocht hij door aan een andere Spanjaard. Hij wist dat ik met pensioen wou. De Belgische bemanning bleef de voorbije drie jaar aan boord, maar met de nieuwe eigenaar heeft de O.316 nu ook een Spaanse bemanning. Het schip vaart wel nog onder Belgische vlag. Wellicht voor de Belgische quota. In de Keltische Zee is er een mooi quotum aan staartvis dat wij niet opvissen en waar de Spanjaarden erg in geïnteresseerd zijn. Tong interesseert hen dan weer niet."Voor Danny Pieters kwam zo een einde aan een loopbaan van 46 jaar in de visserij, waarvan 40 jaar varend. "Mijn grootvader was paardenvisser in Oostduinkerke, mijn vader was ook visser. Hij had de O.318. Ik was 14 jaar, toen ik met hem een eerste 'vakantiereisje' maakte naar IJsland", vertelt Danny. "Ik wou eerst in de koopvaardij gaan, maar toen hoorde ik dat je daar hogere studies moest voor doen. Ik was niet zo'n student en besloot in de visserijschool te blijven.""Op mijn 15de was ik afgestudeerd en mocht ik beginnen varen. Dat deed ik 40 jaar lang , op een drietal maanden na, toen ik 21 was en de opleiding tot schipper volgde. In al die jaren zag ik de visserij enorm veranderen. Vroeger wist je nog waarvoor je op zee ging. Om vis te vangen en dat was het. De jonge gasten hebben dat nooit meegemaakt. Misschien kunnen ze daardoor beter met de nieuwe tijd overweg.""We waren altijd 18 dagen op zee en drie dagen thuis", aldus Danny. "Je mist thuis wel, maar het is je stiel hé. Mijn vrouw Simonne komt niet uit een visserijfamilie, maar ze heeft ermee leren leven. Achteraf bedenk ik dat ik toch heel wat gemist heb. Trouwfeesten, de eerste communie van mijn kinderen, Kerstmis en nieuwjaar... Vroeger ook het uitgaansleven. Maar ik maakte daar nooit een probleem van.""Het werd er de laatste jaren niet makkelijker op: quota, logboeken, aanlandplicht, problemen om bemanning te vinden, stijgende kosten, controles op zee... Het stapelt zich op. De mooiste tijden waren mijn eerste jaren, toen ik op IJsland voer. Maar dat was uitdovend en toen we vanaf 1987 onze nieuwe O.316 hadden, moesten we nieuwe wateren zoeken. Die eerste tien jaar waren moeilijk, ook omdat ik voor plankenvisserij bleef kiezen, terwijl het toen allemaal boomkor was wat de klok sloeg. Maar we raakten erdoor. Al had ik niet gedacht dat we nu zover zouden staan.""Ik denk niet dat de visserij ooit nog wordt wat ze geweest is", zegt Danny. "Er zijn er veel die vooruit willen, maar ze krijgen geen steun genoeg. In Nederland kopen ze schepen van 2 of 3 miljoen euro, maar hier is dat veel moeilijker. Daar is de mentaliteit heel anders. Er is veel meer enthousiasme voor de visserij en ook de banken hebben meer vertrouwen in de sector. Hier hebben velen het geld niet om iets te beginnen. Er is nochtans nog geld te verdienen in de visserij. Maar het blijft een zwaar beroep", benadrukt Danny.Ik heb het altijd graag gedaan, maar op het einde was ik de visserij moe", bekent Danny. "Als het schip binnen moest komen, had ik al stress van drie dagen vooraf. En als je het niet meer graag doet, moet je stoppen. Ik ging nog door tot ik mijn pensioenleeftijd had bereikt, maar zeker het laatste jaar was er te veel aan. En nu ga ik ook niet meer naar de kaaien. De interesse is weg. Maar toch ben ik blij dat mijn zoon Ray en kleinzoon Daril voor de visserij hebben gekozen. Mijn andere zoon Nick zit in de computersector. Ook daar heb ik bewondering voor. En wij amuseren ons nu met ons motorjacht op de binnenvaart. Maar de zee, dat is verleden tijd."