Naar aanleiding van een assisenzaak waarbij een Menenaar terecht staat voor dodelijke slagen op zijn stiefdochtertje van 2,5 jaar, is onze redacteur gaan praten met hulpverleners, met parketmagistraten en met instellingen die zich ontfermen over de jeugdzorg.

Het drama dat zich eind 2017 afspeelde in Menen is geen alleenstaand geval. Integendeel. Het gebeurt vaker dan wij dachten dat kinderen thuis met fysiek en ook emotioneel geweld te maken krijgen. Wordt dat niet opgemerkt in de crèche, op school, bij de buren? Ja, meestal wel. Maar wie grijpt in? En hoe moet worden ingegrepen zonder het risico om het voor het kind nog erger te maken?

Lezen we wel goed? 2.000 kinderen in onze provincie zijn slachtoffer van geweld thuis

Voor leraren, jongerenbegeleiders en hulpverleners die vaak ook nog eens met zichzelf in de knoop raken door het beroepsgeheim, is het niet vanzelfsprekend om op passende en afdoende wijze te reageren. Dat blijkt uit de reportage en dat ondervonden we zelf nog, vrij recent. Toen we onlangs op het Nederlandse scherm een sensibiliseringsfilmpje van de Nederlandse overheid zagen waarbij de kijker werd aangemaand om verdachte verwondingen, vreemde gedragingen van kinderen te melden bij een vertrouwenscentrum. Stel... zeiden we, dat we dat hier in de buurt meemaken, wat doen we? Melden we het? Aan wie? Bij de politie? En wat als er niets aan de hand blijkt?

Voor we het goed en wel doorhadden, waren we allerlei redenen aan het zoeken om onszelf vrij te pleiten om het toch maar niet te melden. Maar eigenlijk kan dat niet. Al die kanttekeningen kunnen nooit een alibi zijn om een kind in volstrekte eenzaamheid te laten lijden onder de tirannie van thuis. Daar moeten we als samenleving dringend afspraken over maken. Ouders, familie, parketten en hulpverleners. Want 2.000 lijdende kinderen in een welvarende, rijke streek als West-Vlaanderen, dat kan niet. Daar moeten wij heel dringend iets tegen ondernemen.