Mijn zoon en ik spelen een racespel op de PlayStation. Als kind heb ik dat nooit gedaan en ik heb er ook helemaal geen talent voor. Mijn hele lijf beweegt mee met het spelletje en ik word er ook behoorlijk opgejaagd van. Nu had mijn man tijdens de kerstvakantie de PlayStation vanop zolder gehaald en enkele leuke spelletjes voor onze zoon klaargezet. “Doe je ook mee, mama?”.
Mijn zoon racet met een quad en ik met een eenhoorn. En zoals verwacht, bak ik er niets van. Ik zucht nu en dan wat gefrustreerd.
“Goed zo mama, je bent de tweede!”, roept mijn zoon en hij steekt zijn kleine duim in de lucht.
“We spelen maar met twee. Als ik tweede ben, betekent het dat ik verloren heb”, lach ik.
“Maar mama, dat is toch niet erg. Het is toch leuk?”, zegt hij.
Het is precies of ik mezelf hoor praten. Hij herhaalt exact wat ik hem altijd zeg en ik ben best trots op hem, want ik weet hoe competitief hij kan zijn. Na nog een paar verliezen, komt hij me een knuffel geven. “De volgende keer laat ik je winnen, mama. Is dat goed?”, zegt hij. Nu hoor ik overduidelijk zijn vader spreken.
We blijven nog even verder spelen en ik blijf verliezen. Hij amuseert zich rot, terwijl ik me vooral blijf afvragen waarom ik er zo slecht in ben. Het jaar konden we fijn starten en ik noteer meteen een eerste les uit mijn eigen boek: plezier maken is belangrijker dan winnen, zelfs als je als laatste eindigt.