Onze stad zag in de voorbije eeuwen veel mensen passeren die in hun tijd grote bekendheid genoten, maar daarna in de nevelen van de geschiedenis verdwenen. Gediplomeerd gids Chris Weymeis haalt elke week zijn loep boven en vertelt het verhaal van die ‘vergeten’ Bruggelingen. Vandaag: begijn en zuster Anna Puttemans.
Kloosterorden in de Brugse binnenstad worden steeds zeldzamer, maar een orde die er al sinds 1667 verblijft, is die van de zusters Maricolen, oorspronkelijk Marollen en in Brugge Marullen genoemd. Oorspronkelijk was hun klooster gevestigd in Rozendal, nu in de Oude Zak. Aan de basis van hun komst naar Brugge ligt Anna Puttemans.
Leidsman
Volgens Antoon Viaene in het tijdschrift Biekorf (1967) stamde Anna Puttemans uit een landbouwersfamilie in Vlassenbroek (Baasrode) en werd ze op 19 februari 1646, op 25-jarige leeftijd, geprofest als begijn in het Dendermondse begijnhof. Ze kwam er in contact met Herman a sancto Norberto, een jonge pater, ongeschoeide karmeliet (discals) en bezielende predikant. Hij slaagde erin Anna en nog vijf anderen te overtuigen om een gemeenschap te vormen waarvan hij de leidsman werd. De Dendermondse stichting van de Marollen was in 1663 een feit. De naam Marollen dateert vanaf de stichting en had de ongunstige, spottende betekenis van devoten van gering allooi. Later, onder het bewind van de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia, begon de term Maricolae in officiële documenten veld te winnen. Vanaf 1788 sprak men dan ook van Maricollen, afgeleid van mari-cole of dienaar of dienares van Maria. Wanneer Anna Puttemans na een pelgrimstocht naar Sint-Winoksbergen via Brugge terugkeert, maakt ze kennis met de paters Discalsen in Brugge. Blijkbaar maakte de stad indruk op haar, want in 1667 komt ze met twee anderen, Anna Spanoghe en Maria Maes, naar Brugge. Ze vestigen zich in een huis in Rozendal, nu nummer 35. Het is in dit huis dat Anna Puttemans op 29 november 1673 overleed. Ze werd begraven op het Sint-Jacobskerkhof, waar tot 1717 ook andere marollekens werden begraven.

Onderdak
Eén jaar na haar overlijden vestigden Puttemans’ medezusters zich in het huis Quinten (Rozendal 3-7). Hoewel er in de jaren die volgden enige troebelen waren met een paar pastoors van de Sint-Jacobsparochie, slaagden de zusters er toch in om in 1697-1698 hun eigendom uit te breiden. Dat gebeurde onder andere met het domein Den Franschen Schilt aan Rozendal, herkenbaar aan zijn toren op de kaart van Marcus Gerards (1562). In 1796 (of 1797) werd het klooster door de Fransen gesloten en verkocht. De zuster kregen tijdelijk onderdak in een ander huis in Rozendal tot in 1804 Charles de Schietere de Caprycke de zusters een woning in de Oude Zak bezorgde. Het begin van een nieuw hoofdstuk dat nog altijd voortduurt. (CW)