Grootsheid begint altijd klein. Of met iets nieuws, iets gedurfd ook. Louis Delacenserie was een klassiek geschoolde maar veelbelovende architect, die het in 1870 schopte tot stadsarchitect. Hij leefde zo gepassioneerd voor zijn werk, dat hij pas na zijn zestigste alleen ging wonen. Hij restaureerde het Tolhuis, de Heilig-Bloedkapel, het stadhui...

Grootsheid begint altijd klein. Of met iets nieuws, iets gedurfd ook. Louis Delacenserie was een klassiek geschoolde maar veelbelovende architect, die het in 1870 schopte tot stadsarchitect. Hij leefde zo gepassioneerd voor zijn werk, dat hij pas na zijn zestigste alleen ging wonen. Hij restaureerde het Tolhuis, de Heilig-Bloedkapel, het stadhuis en bouwde de voormalige rijksnormaalschool, de Minnewaterkliniek en tenslotte ook het provinciaal hof en het postgebouw op de Markt. Geen architect zette zo zijn stempel op Brugge als Delacenserie. Maar het was het Lucashuys dat het meest tot de verbeelding sprak. Niet alleen omdat de toonaangevende neorenaissancestijl zo kenmerkend was, maar ook omdat de oorsprong van het gebouw niet in de schaduw van het Astridpark ligt - zoals nu - maar in die van het Brusselse Warandepark. De minister van Openbare Werken kreeg het niet over zijn hart om het gebouw, amper 15 jaar oud, af te breken. De gevel werd gratis aangeboden op voorwaarde dat hij elders zou heropgebouwd worden. In opdracht van een antiquair werkte Delacenserie het graag uit; hij was immers gefascineerd door restauraties. Ook binnenin: de eiken trap kwam uit het Sint-Niklaashospitaal, het plafond van het Brugs stadhuis en de marmeren zuilen van de Sint-Salvatorskathedraal. Maar zijn twee meest spraakmakende projecten liggen niét in Brugge. Hij tekende in de laatste jaren van zijn leven, en nadat Koning Leopold II het afwijzen weigerde te aanvaarden, de Sint-Petrus- en Pauluskerk in Oostende. Gelijktijdig werd ook zijn meesterwerk afgewerkt: het centraal station van Antwerpen. Een gebouw waar elke architect het over eens is: grootsheid in elke zin van het woord.