"Men reist om te leren", opperde Mark Twain ooit. Een levenswijsheid die perfect in mijn plaatje past, aangezien ik van kindsbeen af liever mijn broek sleet op een fietszadel dan op een schoolbank. Ik heb intussen al heel wat zeemvellen broeken afgedragen, maar nog altijd voel ik me als een klein schooljongetje wanneer ik op een nieuwe bestemming aanbeland. Je probeert je op voorhand zoveel mogelijk te informeren, maar ter plaatse blijkt het er toch altijd net iets anders aan toe te gaan dan je je had voorgesteld. Zo trek ik mijn vermoeide ogen wijd open in de luchthaven van Darwin, een stad in he...

"Men reist om te leren", opperde Mark Twain ooit. Een levenswijsheid die perfect in mijn plaatje past, aangezien ik van kindsbeen af liever mijn broek sleet op een fietszadel dan op een schoolbank. Ik heb intussen al heel wat zeemvellen broeken afgedragen, maar nog altijd voel ik me als een klein schooljongetje wanneer ik op een nieuwe bestemming aanbeland. Je probeert je op voorhand zoveel mogelijk te informeren, maar ter plaatse blijkt het er toch altijd net iets anders aan toe te gaan dan je je had voorgesteld. Zo trek ik mijn vermoeide ogen wijd open in de luchthaven van Darwin, een stad in het tropische noorden van Australië en tevens vertrekpunt van mijn reis. Na dertig uur onderweg geweest te zijn, verwachtte ik een andere wereld. Dat viel dus tegen. Vertrouwde pictogrammen, Engelse onderschriften en rondbuikige mannen in zomertenue die je ook op de dijk van Blankenberge ziet voorbij slenteren. Maar eens de schuifdeuren van Darwins luchthaven openglijden en de opkomende zon het kwik al tegen de dertig graden aanduwt, besef ik dat onze parel aan de kust toch heel veraf is.Hier klaagt de plaatselijke horeca bovendien niet over te goed of slecht weer, want Darwin kent geen seizoenen. Toch niet zoals wij die kennen. Hier heb je een droog en een nat seizoen. Dat laatste is net voorbij en zorgt nu voor een hoge luchtvochtigheid. Ik zweet als een rund wanneer ik mijn stalen ros klaarmaak voor een trip van 7.000 kilometer. Door mijn nervositeit stel ik zonder het te beseffen mijn gopro's verkeerd in. Mea culpa dus voor enkele overbelichte beelden op jouw beeldbuis maandagavond. Bovendien draai ik van bij de start de verkeerde kant op. Tegen het verkeer in ga ik naar aloude gewoonte rechts rijden. Tot een bestuurder hard toetert en een wegwerpgebaar maakt. Juist, hier rijdt men links (en denkt men doorgaans rechts, maar daar kom ik de komende weken nog wel op terug).Wie vond het in godsnaam nodig om qua rijrichting averechts te doen? Maar vooral, waarom? Een antwoord op de eerste vraag is eenvoudig: de Britten. Van hen is intussen bekend dat ze graag (willen?) breken met de gangbare regels. Vandaar ook dat er links wordt gereden in de meeste voormalige Britse kolonies. Met de VS als grootste uitzondering. Henry Ford voorzag zijn T-Fords van een stuur aan de linkerkant en pleitte daardoor voor een rechts rijgedrag. Twee derde van de wereldbevolking rijdt dus wel degelijks rechts terwijl het stuur links zit.Het antwoord op de tweede vraag is iets complexer. We moeten daarvoor terug naar de Romeinse tijd. Voerlieden hielden de teugels rechts en hanteerden de zweep met de linkerhand. Om te voorkomen dat ze daarmee tegenliggers raakten, hielden ze links. Dat was de normale gang van zaken tot Napoleon het plots in zijn gekke hoofd haalde om alle verkeer rechts te laten rijden. Dat ik hier dus aan de verkeerde kant ben gestart, is dus eerder de schuld van Napoleon en dus hoef ik de hand helemaal niet in eigen boezem te steken. Men reist om te leren, maar men leert ook reizen.