Ergens achter mij hoor ik hem, als een dikke hommel. Zoemend. Alsmaar luider. Ik durf niet achterom te kijken. Ik maak me groot en houd de adem in. Een lange schaduw schuift voorbij. De snoet wordt zichtbaar. Shell zie ik in een ooghoek. Een, twee, drie, vier opleggers. De warme wind krijgt weer vrij spel en geeft me een smak. Ik maak een corrigerende stuurbeweging en slaak een diepe zucht. Zo voelde mijn eerste confrontatie met een road train langs de Stuart Highway.
...

Ergens achter mij hoor ik hem, als een dikke hommel. Zoemend. Alsmaar luider. Ik durf niet achterom te kijken. Ik maak me groot en houd de adem in. Een lange schaduw schuift voorbij. De snoet wordt zichtbaar. Shell zie ik in een ooghoek. Een, twee, drie, vier opleggers. De warme wind krijgt weer vrij spel en geeft me een smak. Ik maak een corrigerende stuurbeweging en slaak een diepe zucht. Zo voelde mijn eerste confrontatie met een road train langs de Stuart Highway.Ik fiets intussen al enkele weken over deze snelweg en heb ontelbare van deze baanreuzen overleefd. Telkens ik er een hoor afstormen, probeer ik zijn aandacht te trekken door achterom te kijken en te zwaaien. Hopend op genade, want vertragen doen ze amper. Hier is tenslotte geen wegpolitie of flitspaal te bespeuren. Snelheidslimieten zijn een uitvinding van en voor de geciviliseerde wereld. En die ligt al een tijdje achter mij.Voor mij ligt nog bijna 1.000 km warme asfalt uitgerold tot aan het eindpunt van de Stuart Highway, 180 km tot het volgende benzinestation. Gepakt en gezakt probeer ik die bloedhete kilometers in twee dagen af te ronden, hopend op een reddende engel met extra water. En net wanneer ik de grens tussen Northern Territory en Zuid-Australië oversteek, bots ik op zo'n exemplaar. Niet in de vorm van blonde krollen en vleugels, maar van een flinke beer met borstelsnor en badslippers. Ian staat aan de kant van de weg aan een verloren pomp zijn King of The Road van diesel te voorzien. Geen shop of camping in de buurt. Simpelweg een dieselpomp met een hut ernaast. "Enkel de chauffeurs weten deze plek zijn. Het moet wel, anders geraak ik er niet." Ian doet wekelijks twee keer de rit Kings Canyon-Port Augusta. Goed voor 6.000 km. Hij sleurt drie tankwagens met ruwe olie mee."Stukje meerijden?", vraagt hij. "Uiteraard." In de cabine is het lekker koel en ruikt het naar taco. In zijn bedruimte hangt een Australische vlag. "Ik ben trots op mijn land. Ik werk hard en word daarvoor beloond." Het is misschien ongepast om iemand te vragen hoeveel hij/zij verdient, maar ik doe het toch. "11.000 dollar per maand. Omgerekend 7.000 euro", zegt hij met de glimlach. "Goed bezig", zeg ik."Ja, maar daar staat wel iets tegenover. Een blikseminval of klapband kan fataal zijn." Hij toont mij een filmpje van zijn dashcam waarop te zien is hoe zijn road train van de weg af raakt. Met alle moeite van de wereld voorkwam Ian dat zijn voertuigaan het tollen ging. "Daar loop je toch een paar dagen ongemakkelijk van. Gelukkig kan ik het nog navertellen, een goede vriend van mij had vorig jaar minder geluk."Plots overvalt mij het besef dat deze robuuste mannen achter het stuur zowel hun als mijn leven in handen hebben. Zij beslissen dus ook of Dwars door Oceanië nog een tijdje doorgaat of of het Dwars over Wouter wordt. "No worries mate. Geniet jij maar van mijn mooie land." Terwijl ik uit de cockpit klim, hoor ik hem iets in zijn zender inspreken: "Bericht aan alle chauffeurs, wees een beetje lief voor de vriendelijke fietser op de Stuart Highway. Dank u."