Zuster Alphonsine, meester Ackaert en pater Vandenbunder

"Ik herinner me dat ik in de freubelschool in Sint-Pieters tegen zuster Alphonsine zei: ma soeur, als ik dokter ben, zal ik je een pikuur komen geven. Daar kom ik straks op terug. In het lager onderwijs zat ik vier jaar bij meester Ackaert. Een onvoorstelbaar pedagoog met een ongelooflijk sociaal engagement, leider van het zangkoor enzovoort. Hij was een voorbeeld voor mij. Vanaf het vijfde lagere ging ik acht jaar op internaat in het jezuïetencollege Sint-Barbara in Gent. Een harde tijd maar vooral een zeer veelzijdige opleiding waar ik de beste herinneringen aan overhoud. (grinnikend) Ik werd later door bepaalde journalisten wel eens 'jezuïetenstreken' verweten, maar ik heb dat altijd als een compliment beschouwd.
...

"Ik herinner me dat ik in de freubelschool in Sint-Pieters tegen zuster Alphonsine zei: ma soeur, als ik dokter ben, zal ik je een pikuur komen geven. Daar kom ik straks op terug. In het lager onderwijs zat ik vier jaar bij meester Ackaert. Een onvoorstelbaar pedagoog met een ongelooflijk sociaal engagement, leider van het zangkoor enzovoort. Hij was een voorbeeld voor mij. Vanaf het vijfde lagere ging ik acht jaar op internaat in het jezuïetencollege Sint-Barbara in Gent. Een harde tijd maar vooral een zeer veelzijdige opleiding waar ik de beste herinneringen aan overhoud. (grinnikend) Ik werd later door bepaalde journalisten wel eens 'jezuïetenstreken' verweten, maar ik heb dat altijd als een compliment beschouwd.En er was pater Daniel Vandenbunder, mijn retoricaleraar. De man aan wie ik misschien wel het meest verschuldigd ben. Hij was onvoorstelbaar polyvalent en ik zou geld geven om zijn conferences Grieks, Latijn, godsdienst en geschiedenis nog eens mee te mogen maken. Na het middelbaar heb ik dan van mijn vader, die nochtans had gehoopt dat ik hem zou opvolgen in de papier- en kartonfabriek Viaene, de vrijheid gekregen verder te studeren voor wat ik echt graag wilde worden. Zo ben ik dokter geworden. En weet je wie ik, de dag van mijn diploma in 1972, als allereerste zorgen heb toegediend? Aan zuster Alphonsine, die in het klooster net die dag een spuitje moest krijgen voor haar diabetes en wiens huisarts op vakantie was.""Mijn meter was getrouwd met André De Clerck, toenmalig voorzitter van Club Brugge. Ik ben bijna letterlijk gedoopt met blauw-zwart water en Club Brugge is de enige club in mijn leven. Meteen in '72 werd ik er clubarts. De sportgeneeskunde stelde toen nog niks voor, achter de deur met het bordje 'Docteur' stond een defecte massagetafel. Ik heb er samen met kinesist Eddy Warrinnier een structuur neergezet waarmee we 13 jaar later een prijs kregen voor de beste medische dienst in België. Internationaal word ik zelfs al eens 'de vader van de voetbalgeneeskunde' genoemd (lacht). Later werd ik bestuurder van Club, maar toen voorzitter Michel Van Maele mij vroeg Club te vertegenwoordigen in de profliga, weigerde ik aanvankelijk. Ik had mijn praktijk, het medisch kabinet van Club Brugge, mijn jong gezin. Maar Michel zei "Allez, het is maar één keer per maand..." en overhaalde me. Dat was misschien wel één van de belangrijkste avonden van mijn leven. Want in Brussel zag ik, samen met onder meer Michel Verschueren, kansen om de groei van het profvoetbal te begeleiden. In 1981 werd ik voorzitter van de profliga, in 1987 van de voetbalbond. Men vroeg me wel eens: hoe komt het dat jij overal voorzitter wordt? En dan antwoordde ik: omdat ik voor niets anders deug. Daarmee bedoel ik dat ik de gave had mij te omringen met mensen die elk op een bepaald domein - sportief, financieel, organisatorisch...- bekwamer waren dan ikzelf, maar dat ik iedereen op dezelfde lijn kreeg. De dirigent van een orkest moet niet de beste violist zijn, maar moet wel viool en hobo kunnen laten samenspelen. Een voorzitter van een vereniging moet verenigen. Hier moet ik professor dr. Claessens vernoemen. Van hem leerde ik tijdens mijn opleiding dat je als leider soms hard moet zijn, maar tegelijk de menselijke componenten moet respecteren. Dat ik dat later vaak heb toegepast, heb ik wellicht aan hem te danken. (glimlacht) Ik was ook nog zes jaar voorzitter van de Club. Ik had nochtans mijn vader beloofd dat ik nooit voorzitter zou worden van Club Brugge, hij had bij zijn vriend André De Clerck gezien hoe slopend dat kon zijn. Maar Michel Van Maele vroeg mij op zijn sterfbed: "Je gaat toch Club niet in plan laten?" Dat was de rode draad in alles wat ik heb gedaan: mijn verantwoordelijkheid nemen.""Havelange was van 1974 tot 1998 voorzitter van de FIFA. Ondanks alle negatieve verhalen (corruptieschandalen, red.) was dat voor mij echt een imposant figuur, net zoals zijn opvolger Sepp Blatter die op het einde ook in diskrediet kwam en UEFA-voorzitter Lennart Johansson. Dat zijn mensen met wie ik intens heb samengewerkt en die indruk hebben nagelaten. Er is mij vaak de vraag gesteld: waarom heb je nooit het voorzitterschap van de UEFA geambieerd? Ik heb het daar toen met mijn vrouw over gehad. Mijn leven bestond altijd uit drie pijlers: de familiale, de geneeskundige en de sportieve. En ik had als voorzitter van de UEFA dat evenwicht niet kunnen houden. Om dezelfde reden ben ik ook nooit ingegaan op vragen om in de politiek te gaan."(wijst opnieuw naar foto's aan de wand) "Door al die jaren bij de FIFA had ik het voorrecht verschillende wereldleiders te mogen ontmoeten. Zo heb ik in Zuid-Afrika met Nelson Mandela geluncht en samen met hem zijn cel op Robbeneiland bezocht. Op het WK in Frankrijk heb ik in het Elysée geluncht met Jacques Chirac, een enorm sympathieke mens. Ook mijn ontmoeting met Bill Clinton is me bijgebleven. Clinton verbleef in Zuid-Afrika in hetzelfde hotel en had mij uitgenodigd voor een gesprek rond de Amerikaanse kandidatuur voor de Wereldbeker. Waarop hij mij inviteerde voor een toespraak voor industriëlen ten voordele van een sociaal project. Ik ben met hem meegereden, hoorde een ongelooflijk bevlogen speech en achteraf werd het zelfs heel persoonlijk. Hij vertrouwde mij toen toe hoe emotioneel hij ging worden bij het huwelijk van zijn dochter Chelsea. Waarop ik hem vertelde van het zo toepasselijke liedje A ma fille le jour où il viendra van Charles Aznavour, waar ik een grote fan van ben. Hij kende het niet. Ik heb hem daarna die cd opgestuurd. Hij heeft mij toen een hele mooie brief teruggestuurd.""Misschien wel het mooiste verhaal dat ik heb geschreven. In 1986 was ik delegatieleider van de Rode Duivels op het WK in Mexico. Tijdens een avondwandeling met Jan Ceulemans en Eric Gerets werden we omstuwd door kleine schooiertjes, kinderen die géén kansen hadden in het leven, die alleen de zon als warmte en de hemel als dak hadden. Zouden we niets voor hen kunnen doen?, vroeg ik mij af. En na een lang gesprek met Ramon, onze hoteleigenaar in Toluca, is Casa Hogar geboren. Wij zorgden voor de financiële steun en intussen, 34 jaar later, hebben we al zo'n vijfhonderd kansloze kinderen een toekomst kunnen geven. Met ongelooflijk veel dank aan Maria Teeresa, de vrouw van Ramon, tot vandaag de moeder van Casa Hogar gebleven. Mijn vrouw whatsappt nog elke zondag met Maria Teresa die ons dan op de hoogte brengt hoe het gaat met alle kinderen.""Er waren natuurlijk ook veel voetballers die ik heb bewonderd, maar ik wil één speciaal vernoemen. Pelé is voor mij nog steeds niet alleen de grootste voetballer die ik heb ontmoet, maar ook een fantastisch sportmens en een fantastisch mens. En als trainer zal ik Ernst Happel nooit vergeten natuurlijk. Happel was een speciaal man en een uitzonderlijke coach. Hij bezorgde Club ongelooflijke successen, twee Europese finales op drie jaar. Dat is nu utopisch. Maar ik heb in veel werelden geleefd, niet alleen in de medische en de voetbalwereld. Ik kom bijvoorbeeld nog vaak in het Brugse concertgebouw. Dan zie ik mensen wel eens kijken: "dat is toch een van de voetbal?" Ik speel ook nog steeds graag piano en accordeon. Elke dag stuur ik samen met mijn vrouw een deuntje door naar mensen die daar in deze moeilijke en soms eenzame tijden maar deugd kunnen van hebben. Dat is mijn sociale pijler." "De kandidaten voor West-Vlaams ambassadeur. Ik ben een rasechte Bruggeling en West-Vlaming, ik heb de hele wereld gezien en ontmoet, alle culturen en godsdiensten, en ik kan je zeggen: ik heb mij altijd een ambassadeur gevoeld. Voor mijn land en voor West-Vlaanderen. Daarom was ik ook heel fier toen men mij vroeg voorzitter te worden van de jury voor West-Vlaams Ambassadeur. En ik heb geleerd hoe moeilijk het is om tot een consensus te komen. Want het zijn altijd topkandidaten met veel verdiensten, en een zangeres vergelijken met een sportverslaggever is niet evident. Maar met Wim Lybaert en Niels Destadsbader zijn we uiteindelijk tot unanimiteit gekomen, ik hoop dat het dit jaar ook lukt. Wat voor mij zeer belangrijk is: ze waren elk op hun terrein in dit uitzonderlijke coronajaar zeer waardevol voor de medemens. Van de verpleegster met haar directe zorg tot zij die vanuit de media of de cultuur voor lichtpunten zorgden. (glimlacht) Anders waren ze ook nooit in aanmerking gekomen om in 2020 Ambassadeur van West-Vlaanderen te worden."