De drie Franse musketiers

Eliot Lietaer
Tom Vandenbussche

Met Jens Debusschere (32), Eliot Lietaer (31) en Jordi Warlop (25) rijden sinds dit jaar drie West-Vlamingen voor het Franse team B&B Hotels-KTM. Dat ze in het verleden ook alle drie eindwinnaar werden van WestSprint, het prestigieuze regelmatigheidsklassement van deze krant, maakt het des te specialer. Zes vragen voor onze drie Franse musketiers.

Hoe kwamen jullie bij een Franse ploeg terecht?

Debusschere: “Via mijn manager Yannick Prevost, die goeie contacten in Frankrijk heeft. Twee jaar eerder, nog voor ik van Lotto naar Katusha ging, had ik al een goed gesprek met B&B Hotels en Cofidis.”

Lietaer: “Jens zat al bij B&B. Hij is een van mijn beste vrienden en we hebben dezelfde manager. Toen Jérôme Pineau en Didier Rous tijdens de eerste coronalockdown hun ronde bij de renners deden, heeft Jens mijn naam laten vallen. Jérôme, die mij al volgde, was meteen gewonnen.”

Warlop: “Ik ben sinds dit jaar bij de ploeg. Het was mijn management, Squadra Sports Management, dat links en rechts heeft rondgekeken. Ik denk dat het een bewuste keuze van de ploeg is om voor het klassieke voorjaar enkele Belgen in de selectie te hebben.”

Jordy Warlop
Jordy Warlop

Wat is hét verschil tussen een Franse en Belgische ploeg?

Lietaer: “De mentaliteit. Fransen zijn rustiger en hebben vertrouwen in het proces, terwijl West-Vlamingen altijd volle gas vooruit willen.”

Warlop: (denkt even na) “Bij een Franse ploeg ben je vaker van huis en is er een andere sfeer. Bij Sport Vlaanderen-Baloise waren er op een bepaald moment heel veel West-Vlamingen en was het constant lachen aan tafel. Bij de Fransen is er ook een goeie sfeer, maar het is wel allemaal in het Frans te doen.”

Jens Debusschere
Jens Debusschere

Debusschere: “Het grote verschil is dat Fransen niet veel talen spreken. Er zijn Franse renners die naar Engelse muziek luisteren of Engelstalige films kijken, maar dat zijn uitzonderingen. Ik herinner me dat Tony Gallopin vlot Engels sprak toen hij naar Lotto kwam, maar dat kwam omdat hij ervoor al bij RadioShack had gereden.”

Hoe is jullie kennis van de Franse taal?

Warlop: “Beter, maar verre van goed. Ik werk eraan en volgde al een paar lessen Frans, maar het is een moeilijke taal voor mij, veel moeilijker dan het Engels. Die Fransen praten ook zo snel. Begrijpen lukt al redelijk, maar dat praten, hé.”

Debusschere: “Ik had de basis al mee vanop school en intussen vlot het al beter dan twee jaar geleden. Of beter gezegd: correcter. Mijn vervoegingen zijn beter geworden. Ik kan me verstaanbaar maken en begrijp mijn ploegmaats. Ja, dat zit vrij goed.”

Lietaer: “Bij mij gaat dat heel vlot. Ik kreeg op school negen jaar Frans en had de taal al goed onder de knie. Het voorbije anderhalf jaar heb ik nog veel bijgeleerd. Dat is belangrijk, want Fransen kunnen alleen maar Frans praten. Als je de taal niet machtig bent, wordt het moeilijk.”

Kan je al vloeken in het Frans?

Lietaer: “Eerlijk? Dat kon ik al voor ik bij deze ploeg kwam. Maar hier en daar leer je nog een woordje bij. Weet je, ik betrap mezelf er soms op dat ik niet meer in het Nederlands maar in het Frans vloek, zeker als ik langere tijd met mijn ploegmaats op pad ben geweest. Het meest voorkomende scheldwoord? Putain!

Een piepjonge Jordi Warlop in 2012. (foto RN)
Een piepjonge Jordi Warlop in 2012. (foto RN) © RONNY NEIRINCK KRANT VAN WEST-VLAANDEREN

Warlop: “Ik begrijp wat Eliot bedoelt, maar zelf gebruik ik die woorden nog niet echt. (knipoogt) Ik vloek niet zo vaak, hé.”

Debusschere: “Ik moet zeggen: dat vloeken zat er vroeger ook al in, hoor. Sowieso hoor je in het peloton af en toe een Franse vloek. Daarvoor moet je niet bij een Frans team zitten. Welk woord vooral? Putain. Merde is een beetje te braaf.”

Kunnen jullie Franse ploegmaats al vloeken in het West-Vlaams?

Lietaer: “We proberen hen wel eens West-Vlaams te leren. Dat is bevorderlijk voor de sfeer aan tafel. Iemand als Alexis Gougeard, die enkele jaren ploegmaat was van de broers Naesen, heeft al zijn eigen woordenschat en slaat er af en toe een West-Vlaams woordje tussen.”

Warlop: “Klopt. Hier en daar heb je er eentje die plots godverdomme roept. En dit voorjaar nam de ploeg eens een filmpje op waarbij Jens als eerste Dwars door Vlaanderen moest uitspreken en onze Franse ploegmaats hem moesten nazeggen. Dat was grappig. Hoe het klonk? (grijnst) Waarschijnlijk even goed als wanneer ik iets in het Frans zeg.”

Jens Debusschere krijgt zijn trofee uit handen van José De Cauwer in 2010. (foto RN)
Jens Debusschere krijgt zijn trofee uit handen van José De Cauwer in 2010. (foto RN) © KRANT VAN WEST-VLAANDEREN

Debusschere: “Dat was een idee van onze perschef. Het is voor ons niet makkelijk om Frans te praten, maar wij hebben op school wel de basis meegekregen. De Fransen niet. Jérémy Lecroq, die van Reims is, is wel iemand die zijn best doet om toch wat Nederlandse woordjes te leren.”

Tot slot: hoe groot is de kans dat jullie deze zomer de Tour de France mogen rijden?

Warlop: “Ik rijd de Tour sowieso niet.”

Debusschere: “Ik ben niet voorzien, maar sta bij de eerste reserven. Als er iets met een renner gebeurt, bestaat de kans dat ik zal moeten invallen.”

Eliot Lietaer in 2011. (foto RN)
Eliot Lietaer in 2011. (foto RN) © RONNY NEIRINCK KRANT VAN WEST-VLAANDEREN

Lietaer: “Vorig jaar was ik al een van de twee kandidaten voor de laatste plek, maar toen kwam ik ten val in de Dauphiné en brak ik mijn sleutelbeen. Ook nu lig ik in de balans. We zijn nog met vier voor twee plaatsen. Opnieuw zal de Dauphiné heel belangrijk zijn. Maar het is de Tour de France en ik rijd voor een Franse ploeg. Uiteraard staat het team het liefst van al met Franse renners aan de start, maar het is aan mij om zo goed te presteren dat ze niet meer naast mij kunnen. Hopelijk kan ik zo eindelijk mijn droom waarmaken.”