Steven Steeland: “Blij dat ik niet meer de man ben die ik vroeger was”

Steven Steeland: “Ik weet nog altijd niet waarom m’n zussen en ik in de jeugdinstelling zijn beland. En het dossier willen ze niet meer openen.” (foto’s Kurt De Schuytener) © Kurt De Schuytener Kurt De Schuytener
Kurt Vandemaele
Kurt Vandemaele Reporter

‘Anders’ gaat eigenlijk over mensen die het lef hebben om hun eigen weg te bewandelen, zonder om te kijken wat anderen van hen denken. De joviale Steven Steeland (50) doet dat ook, al is zijn pad vaak heel hobbelig geweest. De man die ooit een stoere jongen was en jaren in de bouwsector werkte, hoopt nu op een toekomst in de zorg.

“Ik sleep al jaren een zware mand met een dikke ketting achter mij aan”, zegt-ie. “Maar met de jaren wordt die mand lichter. Conflicten geraken opgelost en op sommige van mijn vele vragen krijg ik stilaan een antwoord. Ik ben blij dat ik niet meer de man ben die ik vroeger was.”

Geen bezoek

Steven is opgegroeid in het voormalige Stella Maris, een centrum van de Bijzondere Jeugdzorg. “Ik ben er geplaatst door de jeugdrechtbank. Ik was toen iets meer dan een jaar. Mijn jongste zuster was elf maanden jonger en mijn oudste zus was een jaar of zes. We zijn daar gedropt. Ik heb er het langst gezeten, tot mijn negentiende. Mijn oudste zus is vroeger losgelaten. Want ja, je zat daar gevangen, hé”, aldus Steven Steeland. “Tegenwoordig trekt men kinderen niet meer zomaar weg bij de ouders. Maar toen namen ze je kind af en je had als ouder niets meer te zeggen. Je mocht al blij zijn dat je om de veertien dagen eens op bezoek mocht gaan. Of misschien mocht het kind tijdens het weekend eens naar huis komen. Dat hing ervan af hoe problematisch de thuissituatie was en hoe het kind zich gedroeg. Als je stout was, mocht je niemand zien. Mijn vader heb ik nooit gekend. Mijn zus heeft me nog aangemoedigd om contact met hem op te nemen, maar dat heb ik nooit gewild. Mijn moeder was blijkbaar niet in staat om deftig voor ons te zorgen. Maar ze was niet slecht, echt waar. Als we naar haar toe mochten, deed ze altijd wat ze kon. Ze is gestorven aan kanker toen ik achttien was. Ook dat verhaal heb ik van dichtbij meegemaakt, met de dagelijkse bezoekjes in het ziekenhuis. Zelfs nu nog denk ik elke dag aan haar.”

Waarom?

Maar vooral die ene vraag blijft: Waarom? “Waarom hebben ze me daar gestoken? Wat heb ik misdaan? Heeft mijn moeder iets misdaan? Ik weet het niet. Ook de schaamte was groot. Ik was een kind uit een instelling. Een paar jaar geleden heb ik eens een brief geschreven naar het justitiehuis met de vraag om mijn dossier te mogen inkijken. Maar blijkbaar is dat gesloten en kan het niet meer geopend worden. Zijn er dingen gebeurd in die instelling? Ja. Mijn zussen zeggen van wel, maar ik wil het niet weten. Wat ik wel nog weet, was dat we er geregeld van langs kregen. Als je niet luisterde, dan kreeg je een oorveeg. At je je bord niet leeg, dan stond het er ’s avonds opnieuw. En opnieuw en opnieuw. Een schop hier, een klap daar. Zo ging dat toen.”

In de jeugdinstelling kregen we er geregeld van langs. Een schop hier, een klap daar

Wat het probleem nog groter maakte, was dat Steven ADHD had. “Als je dat nu hebt, word je begeleid”, zegt hij. “Toen was het anders. Ik kreeg ’s morgens zes Rilatinepillen. Je moest dat nemen volgens je gewicht. En ik was nogal een struise jongen. Die pillen kalmeerden me, maar af en toe was ik toch weer te luidruchtig of kon ik niet op mijn stoel blijven zitten. En toen werd ik weer gestraft. De klastitularis zei: Mocht je het willen, je kan leren voor advocaat. En mijn leraar Nederlands zei altijd: Steeland, Theater Antigone is op de Pottelberg, hé. Waarmee hij wilde zeggen dat ik moest stoppen met mijn grote gebaren. Ik zat vol woede, maar ik was wel niet agressief. Ik was vooral heel impulsief. Een vechter was ik niet, maar ik had wel een postuur waar je niet naast kon kijken. Ik had mijn hele leven waterpolo gedaan. Ik was dus sterk gebouwd. Ik ben vier jaar lang portier geweest in tal van zaken. Daar kwamen de verhalen van. Ik had al snel een reputatie.”

Met Haemers in de cel

“Aan de tuinbouwschool behaalde ik altijd goeie punten, maar ik heb het laatste jaar niet uitgedaan. Ik ben toen bij een tuinier gaan werken, tot ik mijn legerdienst moest gaan doen. Dat was toen elf maanden, maar uiteindelijk werd het drie jaar. Ik was er chauffeur in het Duitse Lüdenscheid. We moesten er de vrachtwagens schilderen met de hand om ons bezig te houden. Toen we klaar waren en aan de chef vroegen wat we moesten doen, zei hij: Schilder hem nog maar eens.”

“Ik woonde net alleen en mijn huishuur bedroeg 11.000 frank. In het leger kreeg ik 4.000 frank (100 euro, red.) soldij. Dus ik dacht: ik blijf thuis en werk wat in het zwart. Maar het duurde niet lang of de BOB stond aan mijn deur. Ik werd op de trein gezet naar Duitsland, maar stapte eraf en trok weer naar huis. Voor even want een paar maanden later werd ik opgepakt en kwam ik voor de Krijgsraad. Ik heb toen drie maanden in Sint-Gillis gezeten als deserteur in vredestijd. Drie cellen verwijderd van Patrick Haemers. Ik zat in blok C. Als deserteur ben je zogezegd een gevaar voor de maatschappij terwijl ik eigenlijk doodbraaf was. Op het laatst lieten de cipiers zelfs mijn cel open. Ook zij vroegen zich af wat ik daar eigenlijk deed. Dat was mijn eerste en enige gevangeniservaring in mijn leven. En waarom?”

In de zorg

Toen hij begin de dertig was, volgde er nog even een aanvaring met de wet, die tot een stadionverbod op het voetbal leidde. Maar de ruige jongen van weleer was vooral een harde werker. Vaak was hij als vrachtwagenchauffeur aan de slag, maar lange tijd werkte Steven ook bij een firma die chappes goot. Intussen is hij herstellend van een schouderoperatie. “Mijn hele lijf is kapot van het zware werk. En ik heb nog zeventien jaar te gaan voor ik met pensioen kan. Ik hoop dat mijn toekomstig traject zich in de zorgsector kan afspelen. Serieus. Ik ben zorgzaam. Ik heb zelf twee kinderen, slimme jongens ook. Ik zou bijvoorbeeld veel kunnen betekenen voor jongeren die even thuis worden weggehaald. Het systeem mag dan veel beter zijn dan indertijd, ik weet wat die jongens doormaken. Ik ken die situaties. Ik begrijp hun onmacht. Nee, ik zal hun problemen niet oplossen, maar ik ben zeker dat ik iets kan betekenen voor mensen die er nood aan hebben.”

Alle mensen zijn gelijk, maar tegelijk zijn we ook allemaal verschillend, anders. ‘Anders’ zoomt in op mensen die bewust of onbewust afwijken van de norm. Noem ze ‘buiten gewoon’.

Zeg et ne keer

Waar heb je een fout gezien of heb je zelf een suggestie? Laat het ons dan weten.