De Ostend Judo Club werd in 1959 opgericht. De toen 14-jarige Jacques Martens werd in 1964 lid. "Het was het jaar waarin de Nederlandse judoka Anton Geesink goud won op de Olympische Spelen in Tokio", herinnert hij zich. "Voor de Japanners, de grondleggers van het judo, een zware nederlaag, maar in het westen gaf het de sport een enorme boost. De Oostendse club dateert dus van net voor die periode, maar het betekende ook hier een stimulans."
...

De Ostend Judo Club werd in 1959 opgericht. De toen 14-jarige Jacques Martens werd in 1964 lid. "Het was het jaar waarin de Nederlandse judoka Anton Geesink goud won op de Olympische Spelen in Tokio", herinnert hij zich. "Voor de Japanners, de grondleggers van het judo, een zware nederlaag, maar in het westen gaf het de sport een enorme boost. De Oostendse club dateert dus van net voor die periode, maar het betekende ook hier een stimulans.""Ik had een levendig karakter en kon een uitlaatklep gebruiken", lacht Jacques. "Judo was echt mijn ding. In 1968 haalde ik al mijn zwarte gordel en gaandeweg klom ik op, tot ik in 2013 mijn achtste dan behaalde. Dat is de hoogste graad die je via examens kan behalen, de negende en tiende dan zijn eregraden. Het is heel uitzonderlijk dat die worden toegekend. Ik kan ze eventueel nog krijgen, maar zit er niet op te wachten. Het zou ook betekenen dat ik oud ben geworden (lacht).""Voor de zestigste verjaardag van onze club kregen we een briefje met felicitaties van de wereldberoemde Japanse tiendedanhouder Ichiro Abe", vertelt Jacques trots. "Hij was in de jaren 50 en 60 technisch directeur van de Belgische Judobond en kwam ook lesgeven in onze club. Het is door hem dat Robert Van de Walle in Japan ging trainen. Robert en ik zijn van dezelfde generatie. Hij is het grootste talent dat onze club voortbracht en het grootste Belgische judotalent ooit, met 27 medailles op wereld- en Europese kampioenschappen én olympisch goud in Moskou in 1980."Jacques Martens is sinds 1977 voorzitter en hoofdtrainer van Ostend Judo Club en was van 2005 tot 2017 ook voorzitter van de Vlaamse Judofederatie. Zijn vrouw Dalila kwam in 1975 in het verhaal. "Ik ben van Temse afkomstig, maar kort na mijn geboorte verhuisden we naar Oostende", vertelt ze. "Door een klasgenote ging ik op mijn veertiende naar Ostend Judo. Ik was nogal hevig en had die uitlaatklep nodig. Ik was meteen verkocht.""Jacques was mijn lesgever en merkte dat ik iets kon", vervolgt Dalila. "Ik raakte tot op topniveau en behoorde tot de nationale ploeg met Ingrid Berghmans. Ik werd tien keer Belgisch kampioen in de gewichtsklasse -52 kg, één keer Belgisch kampioen alle categorieën en twee keer vijfde op het Europees kampioenschap. Ik mocht ook deelnemen aan het eerste wereldkampioenschap voor dames in New York in 1980. Ik haalde mijn zevende dan, de hoogste voor dames in België."Ostend Judo Club telt vandaag een 120-tal leden. "In mijn jeugdjaren waren we met zo'n 100, maar in de jaren 90 hadden we 220 leden", herinnert Jacques zich. "Het was de periode van het EK in Oostende in 1997. Onder coach Jean-Marie Dedecker haalden de Belgen er zes gouden medailles met Ulla Werbrouck, Gella Vandecaveye, Inge Clement, Harry Van Barneveld... Het was in de hele federatie een hoogtepunt wat ledenaantal betreft."Jacques en Dalila zijn nog steeds de manusjes-van-alles bij Ostend Judo Club. Ook professioneel was hun leven nauw verbonden: Jacques was verpleegkundig diensthoofd op de campus Henri Serruys, Dalila is daar nog altijd vroedvrouw. Beroepshalve zagen ze elkaar maar zelden, in het judo des te meer. "Al die jaren zijn wij het die de deur van het clublokaal in het sportcentrum De Koninklijke Stallingen openen en er als laatste weer vertrekken", zegt Dalila, die nog drie tot vier keer per week lesgeeft. Jacques begeleidt nog de judoka's die hun zwarte gordel willen halen, maar geeft anders geen les meer."Het judo nam doorheen de jaren een hoge vlucht. Zowat elk weekend zijn er nu wedstrijden in ons land", vertellen ze. "Je kan nu al op zes jaar met judo starten, wij deden dat meestal maar rond ons veertiende. Dat maakt wel dat ze lang moeten volhouden voor ze echt aan competitie kunnen doen. Je hebt geduld nodig voor je opklimt in het judo en dat kunnen niet alle jongeren nog opbrengen. Bij ons krijg je pas een gordel als je die waard bent en dat wordt onze club niet altijd in dank afgenomen.""Wij gaan voluit voor de waarden van judo-grondlegger Jigoro Kano: discipline, respect, luisteren naar elkaar. We zijn een strenge club. Als jonge judoka's zich niet thuis voelen, blijven ze snel weg. Anderen passen zich aan, wat de bedoeling is, en weten onze aanpak te appreciëren. Rang of stand, kleur of nationaliteit spelen geen rol voor ons. Op de mat zijn het allemaal judoka's. Laat je ego maar in je sloefjes, zeggen wij. We willen onze judoka's via het judo ook de weg wijzen in het leven. Niet voor niets betekent judo de zachte weg. Heel veel van onze zwarte gordels hebben het ver gebracht in het leven. Van de 108 zwarte gordels die we hebben opgeleid, zullen er een 70-tal present zijn op de viering. Het wordt ongetwijfeld een emotioneel weerzien."