Het is vrijdagavond, 4 september. Na het overleg met de brandweer zoek ik mijn broer Joost op. Hij heeft een mentale beperking en werkt al vijfendertig jaar in de WAAK. Felicitaties zijn op hun plaats. Een warm familiemomentje na een drukke week.
...

Het is vrijdagavond, 4 september. Na het overleg met de brandweer zoek ik mijn broer Joost op. Hij heeft een mentale beperking en werkt al vijfendertig jaar in de WAAK. Felicitaties zijn op hun plaats. Een warm familiemomentje na een drukke week. Zaterdagochtend heb ik nog een afspraak. Een inwoner moet zijn signalisatieborden komen afhalen. Ik pik haar op en spoed me naar het containerpark. Samen plaatsen we de borden in de auto. Ik zet haar en de borden af bij haar thuis. De rest van het weekend is het rustig. Ik voel dat ik moe ben, maar dat is de laatste tijd een gewoonte geworden. Maandag is werkdag. Tegelijk dringt een droog hoestje zich op in mijn keel. Slaaptekort?Acht september begint als een doodnormale, vrij zonnige dinsdag. De koffie smaakt hetzelfde. Ook het schepencollege verloopt soepel. Dan plots. De bom slaat in. Om tien uur krijg ik telefoon. Brussel aan de lijn. Contactopsporing kreeg mijn nummer door. Het dringt niet door. Ik? Contact met een besmette persoon? Wanneer? Waar? Hoe? De ratrace begint. Ik licht het college in, maak een afspraak met het triagecentrum en bel mijn huisgenoten op. Mijn partner Inge spoedt zich naar Gent om onze oudste op te halen. Ook de twee jongste dochters moeten naar huis. Nog altijd spoken talloze vragen door mijn hoofd. Wie?Via kennissen verneem ik dat het de inwoner met de signalisatieborden is die mijn naam heeft doorgegeven. Ik zat vijf minuten met haar in de auto, vijf minuten maar! 's Middags laat het hele gezin zich testen. Ik voel me niet ziek. Ik ben hoopvol. Positief? Dat lijkt me sterk. En toch. Toch krijg ik woensdag het slechte nieuws van de huisarts. Mijn test is positief. Een dreun. Ik realiseer me voor het eerst de ernst van de situatie. Het is echt. Inge is kwaad. Ik heb de familie in de puree geholpen. Het vreet aan me. Ik voel me onvoorstelbaar schuldig. Iedereen moet in quarantaine. Van mijn familie tot collega's. Allen testen ze wel negatief. Een opluchting.Ondertussen loopt het nieuws over mijn positieve test als een lopend vuurtje door Avelgem. Ik communiceer op Facebook. Duidelijk en transparant. Thuiswerken lukt ook, laat ik weten. Geen probleem? Toch wel. De week verandert in een regelrechte nachtmerrie. Ik voel me ontzettend beroerd. Ook Inge wordt ziek. Het zal toch niet? Het weekend verloopt tergend traag. De kinderen krijgen thuis les. Het is belangrijk dat ze betrokken blijven bij de school. Maar het vlot niet. Vooral de jongste loopt verloren. Mist haar vrienden en de volleybal. Ook de tweeling van zeventien heeft het moeilijk. Thuis van maart tot juni, en nu opnieuw. Mijn schuld...Ik voel een grote druk op de borstkas en een helse pijn in de onderrug. De eetlust is weg. Ik volg mijn waardes op via de saturatiemeter. Dinsdagavond zijn die zo laag dat ik beslis. Een ziekenhuisopname wenkt. Ik word opgehaald, zonder knuffel, niks. Weg. Ik verblijf op de covidafdeling. Volledig afgezonderd en verpleegd door astronauten. Op woensdag ben ik niks waard. Extra zuurstof en cortisone houden me op de been. Ondertussen is de quarantaine thuis bijna afgelopen. Een laatste test gooit roet in het eten. Inge is positief, vertelt ze al huilend aan de telefoon. Het begint opnieuw, dat verdomde straatje zonder einde.Ik wentel mezelf in schuldgevoelens. Dan komt het nieuws over het verongelukte meisje in Zwevegem. Dat plaatst alles in perspectief. Ik kan terugvechten en herstellen, zij niet. Ondertussen reageert Avelgem. Iedereen wil helpen. Bloemen worden aan de deur afgezet. Ons gezin wordt zó liefdevol omringd. Heel veel dankbaarheid. Er is hoop. Op maandag 21 september mag ik naar huis. Inge, ook besmet, komt me halen. We rijden eerst naar mijn moeder. Toertje in de tuin. Ik móést haar zien, die brede lach, het geluk dat ik opnieuw thuiskwam. Ook de hereniging met de kinderen is ontroerend. De quarantaine loopt nog, maar we zijn bij elkaar.Nu denk ik na, wil mijn verhaal delen met de wereld. In de krant staan? Ik heb meer dan aandacht genoeg. Het gaat om de boodschap. Corona. Dat is geen ver-van-je-bedshow. Het duurt te lang, maar we moeten alert blijven. De gouden regels respecteren. Eens je geconfronteerd wordt met deze ellende ga je denken. Over de haastigheid van het leven. Over de vreselijke quarantaine, vooral voor onze bejaarden in de woonzorgcentra, die hun familie missen. Over de zelfstandigheid van kinderen, die het zonder hun ouders moeten zien te rooien. Persoonlijk doe ik het voortaan iets rustiger aan. Een gezonde geest in een gezond lichaam. Dan kan ik dubbel zo hard werken voor Avelgem, dat soepel draaide in mijn afwezigheid. Dankzij de collega's. Ik ben bevoorrecht.