"Ik ben geboren in 1937 in Wijnendale, toen nog behorend tot Ichtegem, in een gezin van vijf", steekt Geert Vanhulle van wal. "Ik was de tweede in de rij. André, Yvonne, Kamiel en Marcel zijn mijn zus en broers. Bij ons thuis was er een kleine boerderij en we verbouwden ook wat vlas. Het toenmalige Wijnendale, nu behorend tot Torhout, was een klein besloten dorp van amper 2.000 zielen. Onderpastoor Verduyn, van Avelgem afkomstig, spoorde mijn ouders aan om mij de richting Latijn te laten volgen. In het Sint-Jans-Berghmanscollege in Avelgem waren ze nog maar een drietal jaan met die richting gestart. Zo gezegd zo gedaan. Ik reisde als klein broekje met de trein van Torhout via Kortrijk naar Avelgem. Kortrijk was toen voor mij een wereldstad en de reis naar het college een hele onderneming. Het Avelgems was een vreemde taal en als klap op de vuurpijl moesten we op de speelplaats in het Frans spelen. Ik was er uiteraard op internaat en kon pas om de zes weken naar huis. De poësis en retorica (het vijfde en zesde jaar van de klassieke humaniora, red.) volgde ik aan het Kortrijks Sint-Amandscollege. Het was serieus wennen: van een kleine klas naar een grote van om en bij de 50 leerlingen", herinnert Geert zich nog.
...

"Ik ben geboren in 1937 in Wijnendale, toen nog behorend tot Ichtegem, in een gezin van vijf", steekt Geert Vanhulle van wal. "Ik was de tweede in de rij. André, Yvonne, Kamiel en Marcel zijn mijn zus en broers. Bij ons thuis was er een kleine boerderij en we verbouwden ook wat vlas. Het toenmalige Wijnendale, nu behorend tot Torhout, was een klein besloten dorp van amper 2.000 zielen. Onderpastoor Verduyn, van Avelgem afkomstig, spoorde mijn ouders aan om mij de richting Latijn te laten volgen. In het Sint-Jans-Berghmanscollege in Avelgem waren ze nog maar een drietal jaan met die richting gestart. Zo gezegd zo gedaan. Ik reisde als klein broekje met de trein van Torhout via Kortrijk naar Avelgem. Kortrijk was toen voor mij een wereldstad en de reis naar het college een hele onderneming. Het Avelgems was een vreemde taal en als klap op de vuurpijl moesten we op de speelplaats in het Frans spelen. Ik was er uiteraard op internaat en kon pas om de zes weken naar huis. De poësis en retorica (het vijfde en zesde jaar van de klassieke humaniora, red.) volgde ik aan het Kortrijks Sint-Amandscollege. Het was serieus wennen: van een kleine klas naar een grote van om en bij de 50 leerlingen", herinnert Geert zich nog.Eens afgestudeerd kreeg Geert van André Dequae van Kortrijk - toen minister van Koloniën - Geert aan om aan het ingangsexamen van UNIVOG (UNIversiteit Voor Overzeese Gebieden) mee te doen. "Eigenlijk was ik van plan om de militaire school te volgen, maar mijn wiskundige kennis was iets te ondermaats voor die richting. We waren toen in 1955. Na vier jaar doorgedreven studie waren de eerste 18 zeker van een plaats als regiobeheerder in Belgisch Congo. Ik was erbij. Ik moest echter nog mijn legerdienst vervullen. Eerst in Stockem, later in Antwerpen, waar ik dichter bij Gent was om aan de universiteit een extra opleiding in politieke en diplomatieke wetenschappen te volgen. Een prof heeft me toen stokken in de wielen gestoken. Hij vroeg me wat ik nu eigenlijk was: student of militair. Ik zei 'allebei' en dat was niet naar zijn zin. Hij vond dat ik alle lessen moest bijwonen, wat ik in de gegeven omstandigheden niet kon. Ik heb die extra opleiding niet afgemaakt. Bovendien was een zekere carrière in Congo door de rellen bij de onafhankelijkheid in 1960 uitgesloten. Dat was even slikken en het was uitkijken naar een job in de privésector. In datzelfde jaar 1960 ben ik met Monique Maertens, een echte Rumbeekse, getrouwd en in Schoten hebben we ons eerste liefdesnest gebouwd. Er moest brood op de plank komen", schetst Geert het begin van zijn professionele leven.Zijn eerste job was die van aankoper bij de firma AREL in Schoten, een bedrijf dat met een 300-tal medewerkers tv's en radio's assembleerde. "Bij controle van de aankoopfacturen merkte ik belangrijke rekenfouten in het voordeel van het bedrijf op. Met die info stapte ik naar mijn superieuren, in de hoop loonopslag te krijgen. Ik ben evenwel nooit bij de big boss, de heer Huyghen, geraakt. De hiërarchische piramide was te hoog. Diezelfde mijnheer Huyghen heeft later het bedrijf TenBel opgericht dat het toerisme op het Spaanse eiland Tenerife heeft ontwikkeld. Door mijn functie bij AREL had ik contact met het bedrijf CARAD in Kuurne, waar ze in die tijd het top-tv-model Telefunken maakten. Mijn maandloon steeg gevoelig en ik kon terug naar West-Vlaanderen komen wonen", vertelt Geert enthousiast."Na een tweetal jaar in Kuurne kruiste de heer Scharpé, algemeen directeur van Soubry mijn pad", vertelt Geert geamuseerd verder. "Hij wou de directiefakkel doorgeven aan aankoper Hespel. Zo kwam de plaats van aankoper vrij. Daarvoor dacht hij aan mij. Zo geschiedde. Ik verhuisde in 1965 naar Rumbeke en ben er nooit meer weggegaan. Het was een mooie tijd bij Soubry. Ik kon er me ook uitleven in het zoeken naar geschikte reproducties van bekende en minder bekende schilderijen om daarvan gedrukte plaatjes te maken. Met de uit de verpakking geknipte Soubrypunten kon je die kleine reproducties verzamelen en leefde in een plakboek kleven. Daar is mijn liefde voor schilderen en bij uitbreiding voor de kunst in het algemeen ontstaan."Na drie jaar werd Geert 'weggekocht' door de toenmalige burgemeester van Brugge, Michel Van Maele, om bij zijn vriend Louis Claeys in Diksmuide de export van persen en scharen voor de metaalsector van nul af aan te ontwikkelen. "Mijn opdracht was om in de omringende landen te zoeken naar dealers om die zware metaalwerktuigen verder te verdelen. Het was een harde tijd. Ik vertrok met de wagen op zondagnamiddag om pas op zaterdag terug naar huis te komen. In die periode heb ik de verkoopstiel geleerd en mijn plan in 't buitenland leren trekken. In 1971 kwam de klad erin en samen met collega Landuyt, mecanicien in hart en nieren, zijn we erin geslaagd om met vallen en opstaan een eerste verkoopbare en betaalbare (28.000 Belgische frank) combiné te maken waarmee hobbyisten allerlei bewerkingen in hout - zagen, schaven, frezen, boren - machinaal konden uitvoeren. De eerste machine heb ik in Zweden verkocht. Robland maakte de hobbymachines en ik verkocht ze via mijn eigen bedrijf VAMAC (Vanhulle-Maertens + C). Op het hoogtepunt telde Robland een 30-tal medewerkers. We verkochten in 87 landen. In ons topjaar was ik op tien buitenlandse beurzen aanwezig. Achteraf gezien was dat gekkenwerk", blikt Geert Vanhulle nog terug.De markt raakte verzadigd. Op een bepaald moment telde Geert 40 concurrenten in die specifieke machine-hobbymarkt. De doe-het-zelfzaken begonnen. "Collega Landuyt ging zich toeleggen op zwaardere machines weg van de hobbyist. Ik ging vanaf 1985 verder mijn eigen weg. Het bloed kruipt immers waar het niet gaan kan. De heer Vangroeneweghe uit Izegem zocht iemand om de export van zijn industriële schuurmachines te behartigen en hij kwam bij mij terecht. De naam Vangroeneweghe bekte niet zo goed. Ik maakte er VG Belgium van. Tot 2009 heb ik opnieuw een deel van de wereld afgereisd, nu ook in het voormalige Oostblok, om die machines te slijten. Wat redelijk goed gelukt is. In 2009 - ik was toen 72 jaar - was het welletjes geweest en ging het blok erop."Door zijn vele buitenlandse reizen kwam Geert in contact met de Club des grands voyageurs, met hoofdzetel in Tunis (Tunesië). "Je kan daar pas bijkomen als je minstens 50 landen had bezocht. Vanaf 100 landen word je lid van de TGV (Club des Très Grands Voyageurs). Mijn teller staat momenteel op 144. Een andere Rumbekenaar, Patrick Masselis, staat reeds vier jaar op nummer 1 met alle 222 landen." Geert is niet voor één gat te vangen. Naast zijn indrukwekkende professionele carrière was en is hij bijzonder actief in eigen streek: 50 jaar lid van de Vereenigde Vrienden, voorzitter van kerkfabriek Sint-Petrus en Paulus (van 27-4-2003 tot 29-4-2011), handelsrechter in Kortrijk (1993-2004). Voorheen lid van Kiwanis I en stichter-voorzitter van de Golden Kiwanis (65-plussers), gewezen voorzitter van Probus Izegem. Hij is vader van drie kinderen - Karla, Filip en Peter - en (over)grootvader van tien kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. (AD)