Ex-CAW-directeur Tine Wyns leidt nu kinderdagverblijf Wiegelied: “Blij dat ik mijn drive terug heb”

Tine is nog altijd gedreven, maar sinds mei 2021 wel in een nieuwe functie bij kinderdagverblijf Wiegelied. © Davy Coghe
Hannes Hosten

We hoorden al een tijd niet veel meer van Tine Wyns (60), de voormalige directeur van CAW Middenkust, die het destijds opnam voor daklozen en transmigranten en zich zo ontpopte tot het sociale geweten van Oostende. Tine is nog even gedreven, maar sinds mei 2021 wel in een nieuwe functie: dienstleider van het kinderdagverblijf Wiegelied. We keren met haar terug naar de wortels van haar engagement.

Met CAW Middenkust leverde Tine pionierswerk af door in 2008 de eerste winteropvang voor daklozen in Oostende te organiseren. Ondertussen nam de stad die werking volledig over. Wat later zette het CAW zich in om de transmigranten, die vanuit Oostende in Engeland probeerden te geraken, enige vorm van opvang te bieden. Sinds het einde van de ferrylijn naar Engeland in 2013 is die problematiek in Oostende veel minder prangend.

Na een fusie met het Brugse CAW behoort het CAW Middenkust sinds enkele jaren tot het nieuwe CAW Noord-West-Vlaanderen. Tine werd er personeelsdirecteur, maar voelde zich er al een tijd niet meer thuis. “Eind 2020 ben ik aan het twijfelen geslagen”, vertelt ze. “Ik had het gevoel dat ik het verschil niet meer kon maken. Ik keek in de spiegel en herkende mezelf niet meer. Was ik nog de Tine Wyns die jaren was opgekomen voor de mensen?”

Wat heb je dan gedaan?

“Mijn ontslag aangevraagd. Maar tijdens mijn lange opzegperiode begon ik weer te twijfelen. Wie zou mij op mijn 59ste nog willen? Uiteindelijk kon ik op twee plaatsen aan de slag, waaronder als dienstleider van 33 vrouwelijke medewerkers in het stedelijke kinderdagverblijf Wiegelied. Die functie lag mij het best. We zorgen er voor 72 kindjes van vier maanden tot tweeënhalf jaar. Ik zie er een heel groot verantwoordelijkheidsgevoel. Ik wil mijn mensen vertrouwen geven en zichzelf laten zijn. Dat heb je nodig om te kunnen functioneren.”

Hoe kwam het dat je je niet meer thuis voelde in het CAW?

“Tot 2015 deed ik mijn job als directeur van CAW Middenkust supergraag. Na de fusie probeerde ik me vijf jaar in te schakelen in de nieuwe structuur, maar door de schaalvergroting verloren we aan dynamiek. Ik miste de lokale betrokkenheid en vond het een gemiste kans dat we minder opkwamen voor de transmigranten. Het samenvoegen van de CAW’s was een slechte beslissing van de Vlaamse overheid, die leidde tot te grote organisaties en een verlammende context.”

Het gezin waarin ik opgroeide, werd als arm gezien

Je was ook zelf geen algemeen directeur meer.

“Allicht lag het minder in mijn aard om niet meer zelf de touwtjes in handen te hebben. Bij CAW Middenkust voelde ik me ook gedragen door de raad van bestuur en door mijn medewerkers. Zij hadden geen schrik van mijn gedrevenheid en actiegerichtheid, in de nieuwe organisatie voelde ik dat wel. ‘Moet ik dat nu afleren?’, vroeg ik me af. Maar dat is de aard van het beestje. Ik zag mensen rond me een burn-out krijgen en voelde me opgesloten in een gouden kooi. Ik ben blij dat ik nu mijn drive terug heb, al ging ik er financieel niet op vooruit.”

Was het niet vreemd om aan de slag te gaan bij het stadsbestuur waarover je jaren uiterst kritisch was? In 2018 stond je bovendien op de Stadslijst, die nu in de oppositie zit.

“Nee. Dit gaat niet over politiek, maar over mensen: de medewerkers, de kinderen. De burgemeester is trouwens een jeugdvriend. We zaten samen bij de scouts, mijn man was onze leider. Bart was een tijd het lief van mijn zus. Zelfs mijn mama was verliefd op hem. (lacht) Toen ik opkwam bij de Stadslijst, wou de directeur van CAW Noord-West-Vlaanderen me weg uit Oostende. Bart verdedigde mij toen. Nee, mijn schepen waren niet verbrand.”

Vond je het achteraf een goede keuze om op de Stadslijst te staan? Je raakte niet verkozen.

“Achteraf is het makkelijk praten. Ik was toen al zoekende op welke manier ik nog het verschil kon maken. Door mijn resultaat realiseerde ik me wel dat ik een figuur ben die veel polarisatie oproept. Ik heb geen spijt van mijn inzet voor de daklozenopvang of de transmigranten. Ik zou dat zo opnieuw doen. Maar met de verkiezingen merkte ik dat ik niet aimabel ben voor iedereen. Misschien had ook de Stadslijst zich dat moeten realiseren.”

Jij kwam op voor mensen voor wie niemand opkwam.

“Onze inzet voor de daklozenopvang kon wel op veel meer steun rekenen dan wat we deden voor de transmigranten. Nochtans, mochten mijn kinderen – om welke reden ook – op de vlucht slaan, ik hoop dat er mensen zich hun lot zouden aantrekken.”

Wie is Tine Wyns?

Privé

60 jaar. Getrouwd met Dirk Ooms. Vier kinderen en drie pleegkinderen, samen 13 kleinkinderen.

Opleiding en loopbaan

Maatschappelijk werker. Werkte 30 jaar in het CAW, waarvan 15 jaar als directeur van CAW Middenkust en zes jaar als directielid bij CAW Noord-West-Vlaanderen. Sinds 1 mei 2021 dienstleider kinderdagverblijf Wiegelied. In de jaren 90 ook OCMW- en gemeenteraadslid voor Agalev, het huidige Groen.

Vrije tijd

Lid dagelijks bestuur en raad van bestuur Theater aan Zee, zingt bij het koor Ier en Gunter en gaat lopen, buiten of op de crosstrainer.

Waar haal je die maatschappelijke drive vandaan?

“Van mijn mama. Zij had het niet makkelijk als weduwe met zes kinderen, maar nam toch vluchtelingen mee naar huis. Zo woonde er een tijd een Vietnamese bootvluchteling bij ons in. Ze was ook een gedreven feministe, maar was wel tegen abortus. Mijn papa overleed op zijn 42ste, toen ik vier was. Aan de Kapellebrug viel hij plots van zijn Vespa. Een hartaanval of een hersenbloeding, in die tijd werd dat niet onderzocht.”

Heb je herinneringen aan hem?

“Mijn eerste herinnering is dat ik niet mee mocht naar de zeevaartschool, waar hij les gaf, omdat ik een meisje was. Daardoor heb ik jaren gevochten tegen het gevoel dat ik als meisje niet goed genoeg was. Tot ik zwanger was van mijn oudste dochter. Een tweede herinnering is mijn tante die kwam zeggen dat onze papa gestorven was. Ik wist niet wat dat betekende, maar toen ik mijn broer zag wenen, voelde ik de ernst.”

Het was niet makkelijk voor je mama, alleen met zes kinderen.

“Dat was niet altijd evident, al deed mama heel hard haar best. Financieel had ze het geluk dat ze toen nog een weduwepensioen mocht combineren met haar job bij het Rode Kruis. Toch werden wij – ten onrechte – als arm gezien. Zo kreeg ik in de lagere school een zak kleren mee naar huis. Ik wist als kind niet hoe daarmee om te gaan. In het zesde leerjaar werd ik door het PMS – vandaag het CLB – naar het buitengewoon onderwijs verwezen.”

Hoe kwam dat?

“Ik kon niet lezen. Door ons imago van arm gezin werd ik vaak als bode van klas naar klas gestuurd. Zo miste ik veel lessen. Pas in het zesde leerjaar was er een leerkracht die mij over de middag wat hielp. En met mijn plechtige communie begon het te keren. Toen viel ik van de schommel. Ik had een hersenschudding en maakte mezelf wijs dat mijn hersenen eindelijk op hun plaats waren gekomen. Mijn mama stuurde me toch naar het technisch onderwijs en na twee jaar vroeg een leerkracht: ‘wat doe jij hier?’”

Hoe belangrijk zijn mensen die je dat duwtje in de rug geven?

“Het is een combinatie. Je hebt mensen nodig die in je geloven, maar ik ben zelf ook geen opgever. Ik laat niet los. Soms zelfs met gevaar voor mezelf. Voor een weddenschap zwom ik eens 50 meter onder water, maar ik was erg moe na de examens en viel flauw onder water. Het leverde me tien dagen ziekenhuis op.”