Lieve Vandenbussche is geboren in 1942. "Ik ben een oorlogskind dat dankzij fantastische ouders een rijkgevuld leven achter de rug heeft", zegt ze.
...

Lieve Vandenbussche is geboren in 1942. "Ik ben een oorlogskind dat dankzij fantastische ouders een rijkgevuld leven achter de rug heeft", zegt ze. "En gelukkig ook al die jaren gezond bleef. Van mijn vader mocht ik mijn middelbare studies niet in den Avé beginnen omdat ze daar nog lessen in het Frans gaven. Zo volgde ik eerst technisch onderwijs bij de zusters Lamoten in de Rijselstraat in Ieper. Eenmaal je in die tijd in het technisch onderwijs begonnen was, moest je in die technische richting blijven en moest ik na 2 jaar kiezen tussen een technische school in Tielt en in Brugge. Ik koos voor Brugge omdat het er in Tielt te religieus aan toe ging. Nadien behaalde ik mijn diploma regent in de huishoudkunde. Ik gaf les in verschillende scholen, de laatste jaren halftijds in Onze Lieve Vrouw van Troost in Kortemark en de Middenschool de Pélichy in Izegem. Op mijn 55ste ben ik gestopt na 37 jaar les geven."Ondertussen volgde Lieve de gidsencursus in Izegem. "Ik gidste veel en deed het ook graag. Mensen zeiden op het einde van een gidsbeurt wel eens: ga je volgende keer nog een keer gidsen? Het liefst over de Izegemse schoennijverheid. Ik werd, nadat ik gestopt was met les geven, het hulpje van toenmalige conservator Raf Vandenberghe van het Schoeiselmuseum in de Wijngaardstraat. Na een tijdje kreeg ik de titel van hulpconservator. Mijn interesses? Het aanvullen van de schoencollecties, de contacten met andere musea, uitwisselingsprojecten..."Toen Hilde Colpaert benoemd werd als conservator van alle Izegemse musea, zette Raf Vandenberghe een stapje opzij. "De stad ging toen ook op zoek naar een andere locatie om er zowel het Schoeisel- als Borstelmuseum onder te brengen en dat werd het museum Eperon d'or. Men spreekt nu niet meer over het Schoeisel- en Borstelmuseum afzonderlijk. In die zoektocht naar een nieuwe locatie en de aankoop van Eperon d'Or speelde gewezen burgemeester Gerda Mytlle een grote rol. Toen ik 70 werd stopte ik met de gidsbeurten en liet het gidsen nu over aan het 'jong geweld'."Lieve is nu nog altijd heel actief in Eperon d'Or. "Ik hou er nog steeds de collecties bij en blijf zoeken om ze aan te vullen. En er waren nogal wat schoenfabrieken in Izegem. Hoeveel precies zou ik niet kunnen zeggen. Tussen 1830 en 1870 begonnen hier heel wat schoenfabrieken omdat de sector toen een enorm succes kende. Op een bepaald moment werkten er maar liefst 5.000 mensen in Izegem in de schoennijverheid. Van de meeste fabrieken houden we een dossier bij, dat we blijven aanvullen als er iets opduikt dat we nog niet wisten. We werken met Eperon d'Or ook samen met de andere schoeiselmusea uit het buitenland. En dat zijn er nogal wat, soms hele mooie en interessante moet ik zeggen. En het is ook belangrijk om met de families van die schoenfabrikanten contact te houden."In de eerste helft van 2007 kreeg Lieve op een dag in het Schoeiselmuseum in de Wijngaardstraat bezoek van twee heren: Roeland Smets en de Italiaan Mario Bertuli. De eerste bleek de managing director van de Europese Federatie voor de Schoeiselindustrie en voorzitter van de Belgische federatie van de Belgische schoenindustrie te zijn, de tweede een schoenfabrikant uit het Italiaanse Brescia. Ik was eigenlijk erg verwonderd dat beide heren met mij een rondleiding wilden doen, maar ik deed mijn uiterste best om hen van de nodige info te voorzien. Na hun bezoek waren ze ook erg opgetogen over de museumcollectie."Op 19 juli van datzelfde jaar, kort na hun bezoek, kreeg Lieve een officieel schrijven van het 'Consorzio Nationale Santi Crispino e Crispiano' uit Vigevano in Noord-Italië. Een genootschap dat nog elk jaar de twee patroonheiligen van de schoenmakers herdenkt. In de brief liet voorzitter Giovanni Audisio van het genootschap weten dat ik de prijs 'Fedelta a lavoro' kreeg, wat betekent 'getrouwheid aan het werk', wat je bij ons een beetje zou kunnen vergelijken met laureaat van de arbeid. Ik moest die prijs wel zelf gaan afhalen op 27 en 28 oktober 2007."Lieve vroeg zich af waarom zij die prijs kreeg. "Ik ben trouwens geen schoenmaker. Maar het bezoek van de heren Smets en Bertuli aan het Schoeiselmuseum was de aanleiding en de reden waarom ze mij die prijs gaven. En uiteraard is die prijs ook bedoeld voor de hele ploeg die het schoeiselmuseum uitbouwde. En voor de vele Izegemse schoenmakers die altijd fijn werk afleverden en nog afleveren. Als ze destijds in Izegem schoenen maakten, moesten het goede schoenen zijn, met perfect uitgekapte zolen zoals een Aloïs Vancompernolle uit Emelgem dat zo goed kon en fijn gestikt. En eerlijk? Ik twijfelde of ik wel die prijs zou gaan ophalen in Vigevano. Maar mijn man Eddy Stragier trok me over de schreef. En daar ben ik nog altijd niet rouwig om."Lieve en Eddy trokken naar Vigevano met de auto. "We werden ginder ontvangen door Mario Bertuli die voor ons een hotel had gereserveerd. De avond van 27 oktober moesten we naar de schouwburg van Vigevano waar de overhandiging van de persoonlijke oorkonde en een erkenningsteken gebeurde in aanwezigheid van heel wat wereldlijke en kerkelijke overheden. Zondag 28 oktober was de processie waarin het beeld van de heiligen van de kleine kerk 'Gesù Divin Lavatore' door bestaande leden van het genootschap naar de grotere Dom werd overgebracht waar de eucharistieviering plaatsgreep." "Ik en de andere nieuwe leden moesten toekijken en wachten tot we uitgenodigd werden in het koor aan het altaar waar de kardinaal mij en de andere nieuwelingen de 'mantello' (Fedelta a lavoro) gaf en er een groepsfoto werd gemaakt. Voor mij een grote eer om die 'mantello' te krijgen. Ik ben voor zover ik weet de enige in ons land (en waarschijnlijk nog in de ons omringende landen) die deze eer te beurt viel. Eddy kreeg een das. Het jaar erop werden we weer uitgenodigd en zijn we opnieuw naar Vigevano gegaan. Onvergetelijke momenten!"