Cartoonist Marec: “Vroeger bleven de cafés in Brugge langer open”

Marc De Cloedt, beter bekend als cartoonist Marec, zou niet de vlotste prater zijn. In dit Reiegesprek merken we daar niks van. De drukkerszoon uit de parochie Sint-Jakobs vertelt honderduit over zijn kinder- en jeugdjaren, de zotte tijden bij de Uitkrant, zijn relatie met Bart De Wever én de grootse plannen samen met zijn kompaan Pieter Aspe.

Marc De Cloedt, alias Marec. © Davy Coghe

Voor dit gesprek ontmoeten we Marec in De Loge. Neen, niet in een geheime vrijmetselaarstempel, maar wel in de ontmoetingslek in de Sint-Jakobsstraat die als het ware het hoofdkwartier vormt van de uitgeverij die hij samen met Pieter Aspe uit de grond stampte. “Iedereen kan hier iets komen drinken en al onze boeken zijn er te koop. Oude en nieuwe vrienden komen hier graag over de vloer, dus het kan gezellig druk worden in De Loge”, weet Marec.

Je bent duidelijk een Bruggeling in hart en nieren. Speelt de stad een grote rol in je creatief werk?

“Toch wel. Nu teken ik wel voor en over heel het land, maar aanvankelijk werkte ik lokaal en was mijn werk dus op Brugge gericht. Die ervaringen uit mijn kindertijd en jeugd in de wijk waar ik opgroeide, de directe omgeving van de Sint-Jakobskerk, heb ik natuurlijk meegenomen. Ook mijn goede vriend Pierre Aspeslagh (schrijver Pieter Aspe, red.) is hier trouwens opgegroeid. Mijn vader was drukker bij de krant Burgerwelzijn, destijds de concurrent van ‘t Brugsch Handelsblad. Die drukkerij was toen gevestigd in de Zilverstraat. Na schooltijd ging ik er graag heen om dat allemaal goed te bekijken. Ik vond het een fascinerende wereld. De geuren en vooral het enorme lawaai dat die machines maakten… Dat is me altijd bijgebleven. Die drukkerswereld en het maken van kranten; het is wel duidelijk dat dit al in de richting ging van mijn latere beroepsbezigheden.”

Wie of wat heeft dat creatieve dan echt in je naar boven gehaald?

“In mijn herinnering teken ik echt al van in mijn prille kindertijd. Aanvankelijk tekende ik gewoon zaken af die ik mooi vond, maar op mijn twaalfde maakte ik mijn eerste echte werkje: een strip over voetbal waarin mijn jongere broer dan de hoofdrol speelde. Ik maakte regelmatig een nieuwe aflevering in het vervolgverhaal en mijn broertje was dan telkens heel benieuwd naar wat hij allemaal zou gaan beleven in de strip.” (lacht)

“Bij het PMS verklaarden ze me gek toen ik zei dat ik tekenaar wilde worden. Van hen moest ik economie studeren. Gelukkig luisterden mijn ouders naar mij”

“Ook een ontmoeting met mijn neef Guido De Cloedt, die cartoonist was bij het Brugsch Handelsblad, was bepalend voor mij. Die ontmoeting vond jammer genoeg plaats in het oude Sint-Jansziekenhuis waar hij op zijn 27ste stierf aan de gevolgen van een mislukte operatie. Vele jaren later heb ik zijn werk opnieuw opgezocht en bestudeerd. Mijn meter Simonne Minnebo speelde ook een grote rol. Zij was goed thuis in de artistieke wereld en overtuigde mijn ouders om me naar de Academie hier in Brugge te laten gaan. Gelukkig luisteren mijn ouders naar haar en niet naar het PMS (nu CLB, red.), dat me aanraadde om economie te gaan studeren.”

“Toen ik tegen die mensen van het PMS zei dat ik striptekenaar wilde worden, keken ze eens meewarig. ‘Maar jongen toch, enkel Marc Sleen en Willy Vandersteen kunnen daar van leven’, zeiden ze me. Ik ben mijn meter dus nog altijd dankbaar. (lacht) De Academie, dat was echt een wereld die voor me openging, een openbaring. Alleen al dat prachtige gebouw op zich…”

Je hebt wel behoorlijk lang mogen wachten vooraleer je je dromen écht kon najagen, niet?

“Dat klopt. Na de Academie kon ik bij drukkerij Die Keure langs de Oude Gentweg aan de slag, waar ik instond voor de prepress. Ik verdiende er mijn brood, maar ik kan niet zeggen dat ik dat echt graag deed. Er waren wel sympathieke collega’s, maar dat bedrijf was heel strak hiërarchisch georganiseerd en je moest er dus niet aan denken buiten de lijntjes te kleuren… Meer dan twaalf jaar heb ik daar gewerkt. Ik had nogal vroeg een gezin met kinderen en moest dus wel wat zekerheid bieden. Maar al die jaren bleef ik gefocust op mijn uiteindelijke doel: zelfstandig leven van mijn eigen tekenwerk. Ik liet zelfs een aangeboden mooie job bij de decor-afdeling van de BRT liggen omdat ik dan te lang onderweg zou zijn, zo iedere dag naar Brussel, en geen tijd meer zou hebben om thuis te tekenen.”

Uiteindelijk waagde je toch de stap en kwam je terecht bij de legendarische Uitkrant.

“Op een dag, begin jaren ’80, zat ik een stripverhaal te tekenen op panelen tegen de muren van het café De Versteende Nacht in de Langestraat. Ik werd er aangesproken door drie mannen – Eric Van Hove, Marnix Puyppe en Jan Rachels – die me vertelden dat ze van plan waren om een satirisch, kritisch magazine op te richten en dat ze een tekenaar zoals ik wel konden gebruiken. Het magazine Kan’t? was geboren en ik mocht mee aan boord. Een tijdje later is dat magazine omgevormd tot de Uitkrant waarvan Jon Misselyn jarenlang hoofdredacteur was.”

Marc De Cloedt, alias Marec.
Marc De Cloedt, alias Marec.© Davy Coghe

“Daar kon ik echt mijn creatieve hart ophalen. De Uitkrant volgde vooral het culturele leven in Brugge op een kritische manier en wilde het stof van de in onze ogen wat oubollige stad blazen. Mijn cartoons waren toen eigenlijk een pak rauwer en harder dan ze nu zijn. We haalden met de Uitkrant ook stunts uit zoals het meegeven van xtc-pillen bij de krantjes… Het waren natuurlijk geen echte.” (lacht)

Jullie veroorzaakten toch wel behoorlijk wat deining in cultureel en politiek Brugge?

“We leefden op heel gespannen voet met de toenmalige socialistische schepen van cultuur Hugo Stevens. De Uitkrant wilde van Brugge een moderne, vernieuwende stad maken, maar hij liep daar allemaal niet hoog mee op en werkte ons echt wel tegen. Dat zat vooral hoofdredacteur Jon Misselyn heel hoog. In die mate zelfs dat hij zich voornam met de Uitkrant te stoppen als Hugo Stevens na de verkiezingen opnieuw zou aangesteld worden als schepen van cultuur.”

“Aspe en ik hebben de bedoeling om elk jaar samen een strip te maken”

“Hij werd effectief opnieuw schepen en de redactie besloot dan ook echt om met de Uitkrant te stoppen. Ik heb dat altijd spijtig gevonden. Het ironische aan heel dat verhaal is dat Hugo Stevens kort nadien zijn mandaat als schepen heeft moesten stopzetten omdat hij in dronken toestand een verkeersongeluk veroorzaakte… Dat is eigenlijk al een stripverhaal op zich!” (lacht)

De Uitkrant was voor jou wel de opstap naar een groter publiek, niet?

“Ja, ik werkte al een tijdje voor de regionale pagina’s van Het Nieuwsblad. Daar heb ik de stiel geleerd van het op korte termijn aanleveren van cartoons over de actualiteit. Op een dag werd ik benaderd door Karel Anthierens die toen net hoofdredacteur van Het Volk was geworden, met de vraag om een dagelijkse cartoon te voorzien. Op dagelijkse basis werken voor een groot publiek; dat is wat ik echt wilde. Toen Het Volk opging in Het Nieuwsblad heb ik mijn werk gewoon voort kunnen zetten.”

Hoe reageren politici op je cartoons?

“Een politicus zei me ooit dat het erger is om niet opgevoerd te worden in mijn cartoons dan om belachelijk gemaakt te worden erin. En het was dan net een politicus die ik niet vaak opvoerde die dat zei. (lacht) Op de Boekenbeurs kwam Bart De Wever me vertellen dat hij een fan is van mijn werk. Ik deel de meeste van zijn ideeën niet, maar ik heb wel respect voor wat hij presteert en het is zeker een man met humor. Dat hebben we genoeg gezien bij zijn fel gesmaakte doortocht in De Slimse Mens ter Wereld. Hij vertelde me dat hij het werk van cartoonisten in een democratie heel belangrijk vindt. Ik vind het wel jammer dat we de laatste jaren wat minder die humoristische kant van De Wever zien.”

Je lanceert zaterdag een stripverhaal in samenwerking met Pieter Aspe: Dossier van de duivel. Kan je al een tipje van de sluier lichten?

“Het uitgangspunt is een oud waargebeurd verhaal dat Aspe kende en waar we dan voort op fantaseerden. Het speelt zich af in het Brugge en Parijs van eind 19de eeuw en legt een verband bloot tussen satanische missen en historische figuren, zoals de Brugse pastoor Ludovicus Van Haecke en de bekende auteur Joris-Karl Huysmans. Anders dan in mijn cartoons zijn de tekeningen erg gedetailleerd en zeer waarheidsgetrouw uitgewerkt. Ik heb er dan ook een minutieuze research voor verricht. De samenwerking met Aspe was heel boeiend en ik denk dat we goed op elkaar inspelen. We hebben de bedoeling om samen ieder jaar een nieuw, luxueus uitgegeven stripverhaal uit te brengen.”

De tips van Marec

Eten

“Ik ga graag in De Verloren Hoek, de gezellige zaak die ook genoemd is naar de wijk daar. Het zijn er heel vriendelijke mensen en het is er altijd lekker. Dat maakt eigenlijk ook deel uit van het Guido Gezellekwartier, wat ik een van de mooiste buurten van Brugge vindt. Ook heel lekker, iets fijner en dus duurder wel, is La Tache, vlakbij de Scheepsdalebrug.”

Drinken

“‘t Molenhuis vind ik een heel leuk cafeetje. Het is niet ver van waar ik woon en er heerst altijd een warme gezellige sfeer. Ook in L’Estaminet kom ik graag. Ik heb trouwens met uitbater Ward Devriese samengewerkt voor een project. Hij heeft samen met chocolatier Pol Depla een chocoladelikeur uitgewerkt met de naam De Brugse Zonde en ik heb het logo ervoor ontwerpen.”

“Ook ‘t Kroegstje, het cafeetje bij restaurant De Kroon in Kristus-Koning is erg gezellig. Maar doordat ik bijna iedere avond tot aan de deadline van 22 uur werk, doordat ik geen actualiteiten wil missen om eventueel in mijn cartoon te verwerken, is het vaak 22 uur 30 of 23 uur voordat we onze avond uit kunnen aanvangen. En er zijn tegenwoordig toch veel cafés in Brugge die behoorlijk vroeg sluiten. Dat is geen verwijt naar die uitbaters; ik begrijp wel dat ze niet openhouden voor twee man en een paardenkop, maar het is wel een opmerkelijke vaststelling. Ik heb toch nog de tijd geweten dat je op iedere dag van de week wel tot diep in de nacht ergens terecht kon. Nu, ik heb natuurlijk ook wel een wat speciaal leef- en werkritme, dat besef ik ook wel, maar toch… Oh ja, ik heb onlangs ook het cafeetje bij Volkskundemuseum in de Balstraat ontdekt; De Zwarte Kat heet het en er loopt dus ook een zwarte kat rond. Ook leuk is dat de kenmerkende zwarte mantel van mijn grootmoeder Mietje Vonck, die met vis rond ging in de buurt, daar in het Volkskundemuseum tentoongesteld wordt!”

Voetbal

“Zoals wellicht bekend is, ben ik een fervent supporter van Cercle Brugge, in goede en kwade dagen. Het doet me dan ook veel plezier dat ze nu weer in eerste klasse aantreden en nu en dan komen ze toch wel eens verrassend uit de hoek.”

Zeg et ne keer

Waar heb je een fout gezien of heb je zelf een suggestie? Laat het ons dan weten.