Lees meer over deze reeks op www.kw.be/europacentrum.
...

Hoe omstreden het Europacentrum later ook werd, destijds was de politieke weerstand tegen de afbraak van de Koninklijke Schouwburg en de komst van een 'hoogbouwcomplex' tussen de Van Iseghemlaan, Vlaanderenstraat, Langestraat en Christinastraat eerder beperkt. Bij de voorlopige goedkeuring van het bpa Kursaal 1962 - een wat misleidende naam, maar het gaat wel degelijk over het Europacentrum - op de gemeenteraad van 23 november 1962 waren er amper twee tegenstemmen en drie onthoudingen. De voltallige CVP-BSP-meerderheid stemde voor, de tegenstemmen en onthoudingen kwamen van de liberale oppositie. Maar ook de liberalen waren verdeeld. Vier van de negen PVV'ers - onder wie tenoren Marcel Friederichs en Maurice Quaghebeur - stemden ja. Dan al was er sprake van een nieuwbouw van 100 meter hoog. Er werd langdurig gedebatteerd, maar opvallend: de erfgoedwaarde van het oude theater kwam niet ter sprake.Het behoud van het theater maakte het onmogelijk aan hoogbouw te doen, argumenteerde het stadsbestuur, en de ruimte waar de toneeldecors werden bewaard, was een 'dode hoek' in het toeristische centrum. De stad wou de schouwburg onderbrengen in het kursaal. Wat later ook gebeurde: het kursaal kreeg een toneeltoren, die weer verdween bij de restauratie van 2004. Volgens burgemeester Jan Piers was de schouwburg erg vervallen en zou de restauratie zeker 10 miljoen frank (250.000 euro) kosten.Maar in het huizenblok bevond zich niet alleen de Koninklijke Schouwburg. Er waren ook nog tien huizen en een niet-bebouwd stuk grond in Langestraat en Vlaanderenstraat, die moesten onteigend worden. "Deze bewerking zal vanzelfsprekend financieel gunstig uitvallen voor de stad Oostende", stelde schepen Frans Van Caillie (CVP). "De voortverkoop zal 40 à 50 miljoen frank (1 tot 1,25 miljoen euro) opbrengen." Toch bleken die onteigeningen later een serieus addertje onder het gras.Het stadsbestuur lanceerde een oproep, waarop drie firma's reageerden. Enkel de nv Les Grandes Résidences, waarvan Robert Van Biervliet uit Westende de voornaamste aandeelhouder was, diende een 'ernstig voorontwerp' in. Van Biervliet was de vader van de in 2009 overleden Oostendse zakenman Jean-Claude Van Biervliet. De gemeenteraad keurde op 29 mei 1964 een overeenkomst goed met Les Grandes Résidences. De toren kwam enkel op de grond van de schouwburg, die stadseigendom was. Het stadsbestuur nam de onteigeningen voor zijn rekening en de nv Les Grandes Résidences kreeg achteraf de keuze die eigendommen al of niet te kopen. In dat geval moesten aan de stad de onteigeningskosten worden betaald.Ook hier weer slechts drie (liberale) tegenstemmen. CVP-gemeenteraadslid Jan Felix, kunstenaar en broer van architect Paul Felix, sprak wel als enige zijn bezorgdheid uit over de architectonische kwaliteiten van het torencomplex. "Als een gebouw zoals het Europacentrum op architectonisch gebied niet uitnemend goed is, het zelfs maar gewoon banaal is, dan is dat een drama", stelde Felix. Maar schepen Van Caillie geloofde dat de toren "waarlijk een realisatie zou zijn" en burgemeester Jan Piers was overtuigd: "Het zal een symbool zijn van het nieuwe moderne Oostende en een prachtig monument."In maart 1966 keurt de raad enkele wijzigingen aan de overeenkomst goed. De nv Les Grandes Résidences en de Brusselse nv Promibel hebben samen een nieuwe nv Europacentrum opgericht, waarvan ze allebei voor de helft eigenaar zijn. De bouw van een zwembad op het dakterras wordt geschrapt en vervangen door 'fonteinen en beplantingen', al is daar later niets meer over vernomen. De bouwpromotor engageert zich ook om twee jeugdzalen van om en bij de 400 m² gratis aan de stad over te dragen. Nog altijd heeft jeugdhuis De Kim zijn stek in het Europacentrum. Maar toen het Europacentrum bijna klaar was, bleek dat de projectontwikkelaar niet zomaar het volledige door de stad onteigende gedeelte overkocht. De moeilijk verkoopbare delen aan de kant van de Langestraat bleven eigendom van de stad. Het stadsbestuur moest een lening van 40 miljoen frank (1 miljoen euro) aangaan om de onteigeningen te kunnen betalen en probeerde zelf winkelruimtes aan de man te brengen. In zijn zoektocht naar een oplossing kwam burgemeester Piers eind 1968 plots met het voorstel een cultureel centrum met vier verdiepingen te realiseren aan de kant van de Vlaanderenstraat. De kostprijs werd geschat op 50 miljoen frank (1,25 miljoen euro), maar voor 80 procent te subsidiëren. "Heel die culturele bezorgdheid van onze Oostendse pappenheimers is niets anders dan een middeltje om een uitkomst te vinden voor de onteigeningen van het Europacentrum, die men liefst door de staat wil laten betalen", analyseerde een pientere commentator van De Zeewacht in maart 1969. Het feest ging niet door, ook omdat de Cultuurraad er niet voor te vinden was.In mei 1969 maakte Jan Piers zich sterk dat er toch kopers waren gevonden en dat operatie de stadskas niets opbracht, maar ook niets kostte. Toch bleef de stad achter met een ingewikkeld kluwen aan eigendommen in het Europacentrum. "Wij moesten de delen kopen die niets opbrachten: kelders en garages", foetert gemeenteraadslid Yves Miroir (Groen), wiens vader Raymond destijds als socialistisch schepen zetelde. "Mijn vader was op zijn zachtst gezegd boos over dat hele project. Het is een afschuwelijk gebouw geworden. En dat spel heeft nooit gedraaid", vindt Miroir. "Maar bij de BSP was het kiezen of delen: als ze de coalitie wilden behouden, hadden ze geen keuze.""Ik herinner me een cartoon van Willy Bosschem - Wébé, nog altijd cartoonist voor De Zeewacht Kust - met daarop Jan Piers bovenaan het Europacentrum, met het hoofd in de wolken", vertelt de latere schepen Dries Vermeesch (CVP). "De burgemeester stond op heel goede voet met bouwheer Van Biervliet. Een van mijn eerste CVP-vergaderingen vond plaats op de bovenste verdieping van het Europacentrum. Het bewijst de invloed die Piers had op Van Biervliet en vice versa. Maar het is niet dat er toen heel veel kritiek was op het Europacomplex. De toren werd voorgesteld als een unicum aan de kust en Oostende was altijd de eerste om grote manieren te hebben. Kijk maar naar de postkaarten van toen. De kritiek op het gebouw, en het verdwijnen van de schouwburg, kwam pas later. Toen keek iedereen met belangstelling uit naar de groei van dit symbool van de Koningin der Badsteden."