15 procent meer exotische soorten in de Noordzee

De Belgische Noordzee herbergt 79 exotische zout- en brakwaterdieren en algen. Dat blijkt uit een uitvoerige studie van onder meer het VLIZ. Tussen 2012 en 2020 steeg het aantal vreemde soorten met 15 procent.

Het Japanse bessenwier, een bruinwier uit Oost-Azië, bereikte Europa in de jaren ’70 samen met ingevoerde Japanse oesters.© VLIZ
Het Japanse bessenwier, een bruinwier uit Oost-Azië, bereikte Europa in de jaren ’70 samen met ingevoerde Japanse oesters.© VLIZ

Het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) in Oostende voerde de studie in samenwerking met 14 nationale en internationale kennisinstellingen, het VLIZ Alien Species Consortium . De resultaten zijn duidelijk: het Belgisch deel van de Noordzee, inclusief het Schelde-estuarium en de Oostendse Spuikom, herbergt steeds meer zout- en brakwatersoorten uit verre oorden.

Het totale aantal gevestigde vreemde soorten steeg op minder dan tien jaar tijd met 15 procent, van 69 (2012) naar 79 (2020). Hoewel een betere opvolging een deel van die toename kan verklaren, lijkt een intensifiëring van economische activiteiten de hoofdoorzaak. Bij 76 procent van alle ooit geslaagde introducties in Belgische kustwateren heeft scheepvaart mogelijk een rol gespeeld, bij 41 procent was dit het geval voor aquacultuur.

Scheepvaart

Bijna 60 procent van alle ‘geslaagde’ introducties vond plaats na 1990, in een periode dat het intercontinentaal scheepvaartverkeer een sterke groei vertoonde. Het gegeven dat de Vlaamse zeehavens zich ter hoogte van een van de drukst bevaren maritieme scheepvaartroutes bevinden, verhoogt de kans op nieuwe onbedoelde introducties via maritiem transport.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de meeste nieuwe soorten afkomstig zijn uit regio’s waarmee Vlaanderen belangrijke intercontinentale scheepvaartroutes deelt. De Stille Oceaan, met onder meer China, is goed voor 50 procent van de soortintroducties, de Noord-West-Atlantische regio tikt af op 26 procent. Introducties vanuit de Atlantische Oceaan vinden vooral plaats via ballastwatertransport, terwijl vanuit de Stille Oceaan naast de scheepvaart ook aquacultuur en levende import een voorname rol speelt.

Zo bereikte het Japanse bessenwier , een bruinwier uit Oost-Azië, Europa in de jaren ’70 samen met ingevoerde Japanse oesters. De soort is nu aan onze kust gevestigd en aanspoelsels van dit wier komen er veelvuldig voor. De Amerikaanse zwaardschede is een langwerpige schelp (ook bekend als ‘ couteau ’), die pas in de jaren ’80 aan onze kust verscheen, na import van larven via ballastwater van schepen uit Noordoost-Amerika. Vandaag is deze soort aan onze kust een van de vijf talrijkste schelpdieren.

“Van alle tijden”

Niet alle levensvormen blijken even goed in staat tot dit soort geslaagde verhuisoperaties. Bij de nieuwkomers valt het grote aandeel geleedpotigen op (31 soorten of 39 procent), met vooral veel krabben, roeipootkreeftjes, garnalen, zeepokken en vlokreeftjes. Op afstand volgen algen of wieren (twaalf soorten of 15 procent) en slakken/schelpdieren (acht soorten of 10 procent).

Introductie van vreemde soorten is overigens van alle tijden. De Chinese wolhandkrab vond al zijn weg naar Duitsland in 1912, om zich van daaruit verder te verspreiden en sinds 1933 ook in ons land op te duiken. Voor de eveneens Aziatische penseelkrab en blaasjeskrab was het wachten tot respectievelijk 2003 en 2006 vooraleer die zich aan de Belgische kust wisten te vestigen. Vandaag zijn beide krabben talrijk aanwezig in havens en op strandhoofden, waar ze een stevige concurrent vormen voor de inheemse strandkrab.

“Niet altijd problematisch”

“Toch hoeft een introductie niet per definitie problematisch te zijn”, zegt het VLIZ. “Voor een minderheid is het invasieve karakter echt een probleem voor de lokale biodiversiteit, de economie of de volksgezondheid. Is dit het geval, kan de impact wel groot zijn. Naar schatting vormt ongeveer 10 tot 15 procent van alle niet-inheemse dier- en plantensoorten een gevaar voor de Europese biodiversiteit. Deze invasieve niet-inheemse soorten zijn wereldwijd zelf de tweede belangrijkste oorzaak van het verlies aan biodiversiteit, na de directe vernietiging van de leefomgeving. Ze belasten het ecosysteem door in competitie te treden met inheemse soorten, door nieuwe ziektes te introduceren of door overmatige predatie (het opeten van het ene dier door het andere).”

Zo verscheen de kleine, (3-4 cm) maar pijnlijk netelende Japanse kruiskwal recent in de Oostendse Spuikom, waar ze zwemmers en watersporters soms hindert. De Amerikaanse ribkwal is dan weer een geduchte predator van dierlijk plankton en visbroed. Sinds 2007 komt deze ribkwal voor aan onze kust, al zijn de ecologische gevolgen nog onduidelijk. De Japanse oester of creuse werd in 1969 bewust geïmporteerd in ons land als alternatief voor de falende kweek van de lokale platte oester . Vandaag is de creuse heel algemeen op dijken, strandhoofden en mosselbanken, waar ze in concurrentie treedt met mosselen en schaaldieren. In de havens verhinderen ze het correct sluiten van sluisdeuren, wat extra onderhoudswerk met zich meebrengt. De Japanse oester lijkt ook voordeel te putten uit de klimaatopwarming.

Internationale aanpak

Het beleid zet dan ook in op het voorkomen van nieuwe introducties, op een snelle detectie en bestrijding en op een beheerkader voor wijdverspreide niet-inheemse soorten. Er bestaan diverse globale akkoorden, Europese regelgeving, regionale verdragen en een reeks specifieke richtlijnen en gedragscodes inzake de aanpak van niet-inheemse soorten. Een blijvende monitoring zal uitwijzen of de huidige regelgeving in staat is het tij te keren en een dalende trend kan teweegbrengen.

Ook anno 2020 verschijnen nog regelmatig nieuwe soorten, hier of in de buurlanden. Ze worden bijgehouden in een zogenaamde ‘Watchlist’ en toegevoegd aan de lijst nieuwe introducties van zodra de vestiging wetenschappelijk hard is gemaakt. De lijst omvat vooral slakken en schelpdieren (bv. de Amerikaanse strandschelp ). Wie op zoek wil gaan naar reeds gevestigde of nieuwe exoten is heel erg welkom op de Grote Schelpenteldag van zondag 14 maart. Die dag kun je, volgens een vaste methodiek, schelpen verzamelen en tellen, om die vervolgens op naam te brengen met de hulp van experten via een scHELPdesk.

(HH)

Zeg et ne keer

Waar heb je een fout gezien of heb je zelf een suggestie? Laat het ons dan weten.