Vier Nederlandse vonnootschappen werden op 16 oktober gedagvaard door de Belgische Staat, tien dagen na de aanvaring tussen de gastanker Al Oraiq en de Flinterstar. Sedertdien ligt het Nederlandse vrachtschip half onder water op een zandbank ter hoogte van Zeebrugge.
...

Vier Nederlandse vonnootschappen werden op 16 oktober gedagvaard door de Belgische Staat, tien dagen na de aanvaring tussen de gastanker Al Oraiq en de Flinterstar. Sedertdien ligt het Nederlandse vrachtschip half onder water op een zandbank ter hoogte van Zeebrugge.OlieHet opruimen van de olie die uit het ruim van de Flinterstar lekte, is inmiddels betaald door de verzekeraar van de Barendrechtse eigenaar van het schip. In totaal had de Flinterstar 125 ton dieselolie en 427 ton zware olie aan boord. Er is zeker 100 ton olie in zee terechtgekomen.Om aan de dure bergingskosten te ontsnappen gaf de rederij de Flinterstar op. Doordat het wrak geen eigendom meer is van de scheepseigenaar en in territoriale wateren ligt, is in principe de federale overheid verantwoordelijk voor de berging. Maar Bart Tommelein trok in de tegenaanval en dagvaardde de vier Nederlandse vennootschappen. Hij vroeg de Brugse rechtbank van koophandel om een bevel tot berging uit te vaardigen lastens de voormalige eigenaars. De bedoeling is om de Flinterstar zo snel mogelijk vlot te krijgen en naar de haven van Zeebrugge te slepen. Op kosten van de vennootschappen, ondanks de vorming van het beperkingsfonds.HoogdringendVoorzitter Dirk Vermeersch van de Brugse rechtbank van koophandel oordeelde dat er niet kan gewacht worden op een definitieve uitspraak over de verantwoordelijkheid voor de aanvaring om over te gaan tot de berging. Die acht hij hoogdringend omdat het wrak van de Flinterstar in een van de drukste vaarroutes ter wereld ligt. Bijgevolg beveelt hij de vier Nederlandse vennootschappen om het wrak te bergen. (SVK)Meer in Krant van West-Vlaanderen (Editie Brugsch Handelsblad)