Vanuit de Vlaamse administratie werd recent 'een mobiscore' gelanceerd. Deze score beoordeelt niet enkel de bereikbaarheid met het openbaar vervoer van de adressen in Vlaanderen, maar maakt ook een beoordeling van de nabijheid van diensten en ontspanningsmogelijkheden. Op basis van criteria en een weging van die criteria wordt dan een globale score opgesteld.

Eens te meer komt een dergelijke score over als een per definitie negatieve evaluatie van het platteland en haar bewoners. Koren op de molen voor de Vlaams Bouwmeester die nooit nalaat om meewarig te doen over de Vlaamse dorpen en plattelandsbewoners. Hij spreekt graag over smurfendorpen, of over onverantwoordelijkheid van mensen die een alleenstaand huis bewonen op het platteland. Elk zijn gedacht natuurlijk, maar wie de nadelen van het platteland benadrukt mag ook eens de voordelen onder ogen nemen.

Dorpsgemeenschappen hebben een sociaal weefsel waar men in de stad een puntje kan aan zuigen. Vlaanderen betaalt via het gemeentefonds een veelvoud per inwoner in de steden van meer van 200.000 inwoners dan voor een inwoner van een gemiddelde landelijke gemeente (1.400 versus 220 EUR per inwoner). Desondanks slaagt men er in deze grote steden met hun goede mobiscore, nog steeds niet in de sociale problematieken het hoofd te bieden. De bewoners van het platteland worden wel verweten extra kosten te genereren. Extra kosten bijvoorbeeld voor riolering en nutsvoorzieningen; het klopt maar de andere kant van de medaille wordt nooit belicht. De extra potenties van een woning om zelf te voorzien in hernieuwbare energie; eigen afvalwaterzuivering te organiseren of groenten te kweken in de eigen tuin. De rust en kwaliteit van de leefomgeving. Dit kunnen allemaal redenen zijn voor mensen om bewust te kiezen voor een woning op het platteland. Of moeten wij echt allemaal aanhanger worden van het ideaalbeeld dat de Vlaams bouwmeester zichzelf voorhoudt?

Wie de nadelen van het platteland benadrukt, mag ook eens de voordelen onder ogen nemen

Dat de ontsluiting met het openbaar vervoer op het platteland ondermaats is kan je bezwaarlijk de inwoners ervan verwijten. De afschaffing van de basismobiliteit en de omvorming naar basisbereikbaarheid biedt opportuniteiten. De gemeenten zullen via de vervoersregio's mee de regie in handen kunnen nemen van hun mobiliteitsproblematiek. Maar... wie zal dat betalen? Zal de last andermaal gelegd worden op de gemeenten? De mogelijkheden op middellange termijn zijn legio. Zelfrijdende auto's, taxidiensten, elektrische fietsen, gecombineerd met hubs op het bovenlokaal vervoersnet. Tijd dat bottom up, het lokale gezond verstand eens de kans krijgt om het beleid te bepalen en daar ook de middelen voor krijgt. Want waarom de trein er pakweg van Roeselare naar Brussel in 20 jaar tijd 10 minuten langer over doet? Dat krijg je toch niet uitgelegd.

Geld is één zaak. Er efficiënt mee omgaan een andere. Vandaag zweert men bij grote structuren. Fusies van gemeenten worden gezien als het antwoord op de complexiteit die vaak door de Vlaamse overheid wordt gecreëerd. Bestuur en beslissingen dicht bij de burger die volgens de Vlaamse gemeentemonitor gewaardeerd worden door de inwoners worden veracht in de Brusselse salons. Nochtans zijn het vandaag niet de kleinste gemeenten die de grootste schulden hebben per inwoner, vaak in tegendeel.

Een kleine gemeente is wendbaar als een KMO. Korte beslissingsstucturen kunnen de concrete vragen en problemen van mensen snel en krachtig aanpakken. Een verdere ontvetting van de Vlaamse en Brusselse structuren brengt ons misschien verder dan het vergroten en complex maken van de structuren op het laagste niveau. Misschien moeten we de mobiscore inderdaad vervangen door een happy score zoals Piet Vanthemsche tweette. Want gelukkig zijn, daar gaat het toch wel over. Allé, het is ook maar mijn gedacht, maar ik ben ervan overtuigd dat ik niet alleen sta met deze mening.

Dit opiniestuk verscheen eerder op knack.be