Het was afgelopen dinsdagochtend verrassend wandelen door de Kortrijkstraat. 's Nachts had iemand spreuken geschreven op de stoeptegels. Van 'Waar is de schroevendraaier?' bij een paaltje dat uit de grond was gedraaid tot 'Rode gloed, rode oortjes' bij een verlichtingselement van Kreatos. De mooiste spreuk zag ik aan kinderwinkel Odiel en Odette: 'Het leven is kinderspel zonder kinderslot'.

Heerlijke en ware uitspraak. Voor kinderen biedt zo'n slot - ik heb het over de figuurlijke zin - veiligheid, maar leven we als volwassenen niet te vaak met het kinderslot op? Hoeveel tijd nemen we nog voor kinderlijke verwondering? En hoe zelden gedragen we ons net zo onbezonnen als een kind? Springen in een plas regen, met blote voeten door het gras rennen, met een witte broek op een bank gaan zitten en je niet meteen afvragen met welk wasprogramma de vlekken zullen verdwijnen?

Hoeveel tijd nemen we nog voor kinderlijke verwondering?

Leven met het kinderslot op is ook: angst hebben voor wat anderen over je denken. Die angst heb ik allang afgeworpen. Ik krijg daarom weleens vragen als: 'Ga je echt in je joggingbroek en sweater naar de bakker?' en 'Ben je werkelijk naar huis gereden met op je bagagedrager een pak wc-papier?' Welja, dus. Kinderen houden zich niet bezig met de vraag wat anderen over hen denken. Ik wil dat als volwassene ook niet doen.

Voor een grappig voorbeeld over hoe dat als kind bij mij ging, keer ik terug naar toen ik vier jaar was. Elke middag wachtte ik op de 'zulle' op mijn vader die terugkwam van zijn werk. Toen hij op een dag wat later was en ik absoluut wilde blijven wachten, maar tegelijk naar het toilet moest, rende ik naar mijn vader met in mijn broek een strontje. Nu is deze column geen pleidooi om het regelmatig in uw broek te doen, maar wel om te leven zoals de spreuk in mijn straat het voorstelt: wees verwonderd, wees onbezonnen en trek u niets aan van wat anderen over u zeggen of denken.