Ik ben in de Carrefour op Walle. Terwijl ik mijn boodschappen op de band leg, voel ik plots een vermolmde hand boven op de mijne. 'Niet bewegen,' spuwt de oude man me toe. 'Ik zal je besmetten zoals nog nooit iemand is besmet.' Ik trek mijn hand weg en kijk mijn belager aan. Een mondmasker draagt hij niet, wel een potsierlijk, blond haarstukje dat fel afsteekt tegen zijn feloranje huid. Ik laat de etenswaren liggen op de band en gris de zak Friskies mee. Ik verontschuldig me bij de kassierster die op Stephanie Planckaert lijkt, en net voor ik door de glazen deur naar buiten ren, zie ik hoe Marc Van Ranst en Erika Vlieghe zich op de man gooien en hem in bedwang houden.

Ik sta in Barcyclette. Het is er donker en Tamara is er niet. In het duister ontwaar ik Martine Tanghe. Op haar hoofd draagt ze een fietshelm die eerder voor een kind is bedoeld. Ze vraagt of ik ottermelk lust. Ik zeg van nee en kies de camembertlimonade. Bart De Pauw sms't me dat ik een exquise smaak heb. Ik stuur niets terug.

Een duw van mijn vriendin haalt me uit mijn slaap en ik bedenk dat ik misschien ietsje minder de krant moet lezen

Ik kom aan het stadhuis voorbij. Een vrouw met vuurrood haar komt naar buiten gesneld en kaffert me uit terwijl ze wijst naar een sigarettenpeuk die in de goot ligt te smeulen. Ik zeg haar dat het de mijne niet is, dat ik drie maand geleden gestopt ben met roken. Ze neemt me vast en terwijl ik heftig protesteer, begint ze een politielint om me heen te wikkelen tot ik eruitzie als een mummie. Ondertussen schreeuwt ze: 'Het is niet omdat ik slechts waarnemend burgemeester ben dat je op de stoep voor mijn stadhuis mag roken.'

Het is een duw van mijn vriendin die me uit mijn slaap haalt. Terwijl ik mezelf probeer te bevrijden uit de rolmops die mijn donsdeken is geworden, bedenk ik dat ik misschien ietsje minder de krant moet lezen.

Ik ben in de Carrefour op Walle. Terwijl ik mijn boodschappen op de band leg, voel ik plots een vermolmde hand boven op de mijne. 'Niet bewegen,' spuwt de oude man me toe. 'Ik zal je besmetten zoals nog nooit iemand is besmet.' Ik trek mijn hand weg en kijk mijn belager aan. Een mondmasker draagt hij niet, wel een potsierlijk, blond haarstukje dat fel afsteekt tegen zijn feloranje huid. Ik laat de etenswaren liggen op de band en gris de zak Friskies mee. Ik verontschuldig me bij de kassierster die op Stephanie Planckaert lijkt, en net voor ik door de glazen deur naar buiten ren, zie ik hoe Marc Van Ranst en Erika Vlieghe zich op de man gooien en hem in bedwang houden.Ik sta in Barcyclette. Het is er donker en Tamara is er niet. In het duister ontwaar ik Martine Tanghe. Op haar hoofd draagt ze een fietshelm die eerder voor een kind is bedoeld. Ze vraagt of ik ottermelk lust. Ik zeg van nee en kies de camembertlimonade. Bart De Pauw sms't me dat ik een exquise smaak heb. Ik stuur niets terug.Ik kom aan het stadhuis voorbij. Een vrouw met vuurrood haar komt naar buiten gesneld en kaffert me uit terwijl ze wijst naar een sigarettenpeuk die in de goot ligt te smeulen. Ik zeg haar dat het de mijne niet is, dat ik drie maand geleden gestopt ben met roken. Ze neemt me vast en terwijl ik heftig protesteer, begint ze een politielint om me heen te wikkelen tot ik eruitzie als een mummie. Ondertussen schreeuwt ze: 'Het is niet omdat ik slechts waarnemend burgemeester ben dat je op de stoep voor mijn stadhuis mag roken.'Het is een duw van mijn vriendin die me uit mijn slaap haalt. Terwijl ik mezelf probeer te bevrijden uit de rolmops die mijn donsdeken is geworden, bedenk ik dat ik misschien ietsje minder de krant moet lezen.