Kerkfabrieken zijn een rem op de groene uitdagingen van onze samenleving

Peter Bossu

Het gemeentebestuur van Langemark-Poelkapelle had zich in het bestuursakkoord geëngageerd om een bos in Langemark aan te planten. Top plan en op zich zeer goed te verantwoorden want in die gemeente is zero bos en bos is belangrijk om te ontspannen als mens, als speelbos en algemeen voor het klimaat en de biodiversiteit. De gemeente botste echter op de lokale kerkfabriek die de gronden in eigendom heeft. Langemark is daarmee verre van de enige die knalt op de oude, extreem ouderwetse visie van kerkfabrieken.

Kerkfabriek bezittingen? Ja, die hebben overal pakken eigendomen van tientallen tot honderden hectaren per gemeente. Mensen vonden het destijds heel goed om onroerend erfgoed over te laten aan die kerkfabrieken. De oprichting van de kerkfabrieken op zich dateert uit de periode van de Franse Revolutie en het bewind van Napoleon (1769-1821).

Achterhaalde wet

Tijdens de Franse Revolutie werden alle kerkelijke goederen onteigend en ter beschikking van de natie gesteld, onder het beding: “Op een behoorlijke wijze te voorzien in de kosten van de eredienst, in het onderhoud van de priesters en in de ondersteuning van de armen”. Dat laatste is achterhaald, bij gebrek aan die priesters. Toch moest een stad als Diksmuide vorig jaar circa 1.000.000 euro voorzien voor de kerkfabrieken voor werking- en investeringskosten.

Op vandaag wil dit zeer concreet zeggen dat steden en gemeenten verplicht zijn om de kerken te onderhouden. Per jaar moeten ze een hele pak middelen geven uit de gemeenschapskas, maar moeten ze hun snavel houden over ander eigendommen van kerkfabrieken. Dat deze eigendommen in deze tijd wel andere maatschappelijke doelen kunnen dienen, is duidelijk hun zorg niet. Dat is een rem op de hedendaags uitdagingen voor bijvoorbeeld meer natuur, voor meer bos voor iedereen. Men kan toch niet verwachten dat we via een oude wet van uit de tijd van Napoleon zoveel gemeenschapsgeld moet investeringen in kerken , terwijl de gronden die ze ooit geschonken kregen voor een gemeenschappelijk doel geen bos of pakweg bos mogen worden?

Het voorbeeld Langemark

Het plan in Langemark was om 2 ha bos aan te planten op grond dat eigendom was van de lokale kerkfabriek. Het gemeentebestuur kwam met een voorstel. De kerkfabriek die daar jaarlijks circa 220.000 euro uit de stadkas (de kas van de gemeenschap daar, nvdr) krijgt, vond dat niet goed. De secretaris van de kerkfabriek zei daar: We worden geacht de portefeuille van de kerkfabriek en de schenkingen als een goede huisvader te beheren . Wij moeten kijken naar ons rendement.”

Straffe uitspraken van een secretaris van een club die niet kan bestaan zonder het geld van de gemeenschap. Incasseren van de gemeenschap, maar in een vorm van superioriteit denken dat men zich niet moet aanpassen aan de vragen van die moderne gemeenschap. Dat is een houding van de doodlopende straat. Arrogantie en een gelijkaardige beleids- zelfingenomenheid duren zelden lang.

“Nul bos”

In het geval van Langemark kondigde iedere schepen van milieu in de jongste legislaturen het idee van een bos aan. “Verschillende locaties kwamen aan bod”, stelt schepen Peter Vantomme (N-VA). “Uiteindelijk leverde dat nul bos op. Als gemeente zijn we eigenlijk bosloos en missen we hier een kans om te zorgen voor de kinderen van later .”

Als zelfs een gemeente geen kans krijgt om een stuk grond van – in dit voorbeeld- de kerkfabriek van Langemark te verwerven, wie dan wel? We mogen als gemeenschap in de lijn met de Napoleontische wetten een pak investeren in het onderhoud van het erfgoed van de Kerk. Maar als een ander deel van het erfgoed, zijnde geschonken gronden, ook kan ingezet worden voor het algemeen belang, valt de vraag op koude grond.

Blindheid

Mogen daar vragen over gesteld worden? Mogen we menen dat een kerkbestuur, dat dat door een wet uit de tijd van Napoleon macht kreeg en uiteindelijk veel onroerend erfgoed in bezit kreeg, ook mee mag zijn met de uitdagingen van deze tijd en de tijd die direct komt?

Verwachten dat de gemeenschap zoveel blijft investeren in het erfgoed van de Kerk, terwijl de Kerk vragen negeert en niks wil afstaan van hun schenkingen voor andere gemeenschappelijk doelen – zoals meer bos en natuur – is een keuze voor hen. Dat kan. Maar het is wel een keuze vol blindheid. Een keuze die aantoont dat de Kerk niet weet wat er in onze samenleving aan het gebeuren is. Ik zou de kerkfabrieken aanraden wel te kiezen om mee te gaan in een breder verhaal. Om ‘hun’ gronden wél ten dienste te stellen van de gemeenschap, van de samenleving.

Zeg et ne keer

Waar heb je een fout gezien of heb je zelf een suggestie? Laat het ons dan weten.