Op 27 februari 1996 om 10.50 uur kwam de oproep van de 100-dispatching in Gent binnen in Tielt en twintig minuten later waren dokter Johan Heeman uit de Hondstraat en verpleegkundige Jacques Beggia uit de Robert Schumanstraat met hun Opel Astra-MUG al op de plaats van de feiten. "We reden met onze interventiewagen eerst de oprit Kortrijk op, maar werden door afrijdende ambulances verwittigd dat we daar niet verder konden wegens brand. We begaven ons dan maar naar het andere rijvak, richting Gent, waar we aanvankelijk in een ware chaos terechtkwamen", opende het duo in De Weekbode van 1 maart 1996 zijn relaas ...

Op 27 februari 1996 om 10.50 uur kwam de oproep van de 100-dispatching in Gent binnen in Tielt en twintig minuten later waren dokter Johan Heeman uit de Hondstraat en verpleegkundige Jacques Beggia uit de Robert Schumanstraat met hun Opel Astra-MUG al op de plaats van de feiten. "We reden met onze interventiewagen eerst de oprit Kortrijk op, maar werden door afrijdende ambulances verwittigd dat we daar niet verder konden wegens brand. We begaven ons dan maar naar het andere rijvak, richting Gent, waar we aanvankelijk in een ware chaos terechtkwamen", opende het duo in De Weekbode van 1 maart 1996 zijn relaas van de feiten."Heel lokaal doemden grote mistbanken op, maar toen wij ter plekke kwamen scheen de zon en werd de ravage van de botsing pas echt duidelijk", herinnert Jacques Beggia zich twintig jaar later nog goed. "Als hulpverlener wil je reflexmatig meteen zo veel mogelijk slachtoffers verzorgen, maar bij een ramp van die omvang komt het er op aan om eerst de hulpverlening te organiseren, zodat duidelijk wordt wie zwaargewond is en wie eerder lichtgewond. Wij kregen de opdracht om een zwaargewonde Oost-Vlaming naar het ziekenhuis van Tielt over te brengen, maar aangezien ons geen ziekenwagen werd gevraagd, is die overbrenging door een Gentse ambulance gebeurd. De man in kwestie was vooral gewond aan de ledematen en onderging een zware operatie."De taferelen die de Tieltse dokter en verpleegkundige op de autosnelweg te zien kregen waren huiveringwekkend. "Ik herinner mij onder meer een chauffeur die levenloos en gekneld in zijn vrachtwagen zat", aldus nog Jacques Beggia. "Wie de ramp wel overleefde, kon relatief vlot worden afgevoerd: vlakbij het op- en afrittencomplex konden de ziekenwagens tot op de autosnelweg rijden of we konden via de brug over de E17 evacueren."Begin december 2013 overviel Jacques Beggia, wiens vader André tot 1986 ambulancier was, een flashback naar de trieste feiten van 1996, want toen moest hij zich vanuit het Sint-Andriesziekenhuis naar de kettingbotsing op de A19 in Zonnebeke spoeden. "Samen met collega Koen Desmyter was ik een van de eerste hulpverleners ter plaatse in de rijrichting Ieper. Daar hielpen we de jonge vrouw bevrijden die met haar Mini Cooper tussen twee vrachtwagens geplet zat en brachten haar naar het ziekenhuis van Menen."De Tieltenaar heeft zijn ervaringen met dergelijke rampen naar eigen zeggen altijd een plaats kunnen geven. "Het scheelt dat mijn vrouw ook verpleegkundige was. Daardoor had ik bij mijn thuiskomst altijd het ideale klankbord. Al went menselijk leed natuurlijk nooit, zeker niet als je kinderen van onder een auto moet halen die de leeftijd hebben van je eigen kinderen of als je met de zelfdoding van een kennis wordt geconfronteerd."Eén iets heeft Jacques na de kettingbotsing van 1996 altijd betreurd: dat hij nooit werd uitgenodigd naar een herdenking of naar de inhuldiging van het monument op de autosnelwegbrug in Deinze. "Het zou een mooie erkenning zijn. Maar we waren toen met zo weinig West-Vlaamse hulpverleners dat men ons telkens over het hoofd ziet."(TVW)