Het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) in Oostende startte vijf jaar geleden met het project SeaWatchers. Aanvankelijk 10, intussen 20 'burgerwetenschappers' doen minstens viermaal per seizoen waarnemingen langs de waterlijn. Ze noteren dan de zeewatertemperatuur, de vangsten en de hoeveelheid zeepieren, aangespoelde kwallen, schelpen, afval en archeologische vondsten die ze aantroffen. "Iedereen heeft een vast stuk strand van zo'n 3 km", legt Jan Seys van het VLIZ uit.
...

Het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) in Oostende startte vijf jaar geleden met het project SeaWatchers. Aanvankelijk 10, intussen 20 'burgerwetenschappers' doen minstens viermaal per seizoen waarnemingen langs de waterlijn. Ze noteren dan de zeewatertemperatuur, de vangsten en de hoeveelheid zeepieren, aangespoelde kwallen, schelpen, afval en archeologische vondsten die ze aantroffen. "Iedereen heeft een vast stuk strand van zo'n 3 km", legt Jan Seys van het VLIZ uit. "We stellen die mensen het nodige materiaal ter beschikking en volgen hen heel goed op. Ze krijgen regelmatig opleidingen. De kwaliteit hangt af van de opvolging. Als niemand naar je omkijkt, zal je snel stoppen met waarnemingen. In het begin waren er in wetenschappelijke hoek twijfels bij zo'n vrijwilligersproject, maar intussen werken we nauw samen met de experten van de Strandwerkgroep."De SeaWatchers hebben een eerste rapport voorgesteld met de resultaten van 101 waarnemingstochten tussen juni 2014 en juni 2018. De conclusie is duidelijk. "De Noordzee warmde de voorbije halve eeuw 1,7 graden Celsius op. Dubbel zoveel als het gemiddelde van alle zeeën. Dat komt omdat de Noordzee een ondiepe, ingesloten zee is, waar veel rivieren in uitmonden. Voor dieren en planten maakt dat een enorm verschil", zegt Jan Seys. "Dat uit zich in allerlei verschuivingen in het voedselweb. Koudwatersoorten trekken weg, het aantal dieren en planten uit de Atlantische Oceaan, of zuidelijker, neemt toe." "In vergelijking met studies uit 1996-1997 geven de data van de SeaWatchers aan dat er vijf keer meer kleine pietermannen en vijf keer minder Noordzeegarnalen zijn. De kleine pieterman is een giftig warmwatervisje, de Noordzeegarnaal een koudwatersoort. Ook de toename van de kleine heremietkreeft, de Amerikaanse ribkwal en het langer verblijven van jonge pladijs in het strandwater (tot december, vroeger oktober) wijzen in dezelfde richting. Toch blijft garnaal ook vandaag nog de talrijkste soort in de branding."Het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) van de Vlaamse overheid reageerde prompt op de conclusies van de SeaWatchers. Aan de waterlijn nam het aantal garnalen misschien af, maar dieper in zee doen garnalen het wel goed, zegt het ILVO. "De aanvoer van garnaal is de jongste 20 jaar gemiddeld behoorlijk hoog. In vergelijking met de jaren negentig is de jaarlijkse hoeveelheid vrijwel verdubbeld. 2018 was een superjaar.""Het gaat om twee verschillende metingen: wij in de branding, zij op zee. Onze vaststellingen worden niet in twijfel getrokken", beklemtoont Jan Seys. "Het wetenschappelijk onderzoek is duidelijk over de opschuiving van de soorten. We zullen de resultaten zeker nog samen bekijken. Vraag is of de aanvoercijfers van het ILVO rekening houden met de geleverde inspanningen door de vissers. Moeten ze verder in zee gaan of meer vissen om dezelfde vangsten te doen?""Hoe dan ook zitten wij aan de zuidgrens van het gebied waar commercieel oogstbare hoeveelheden garnaal te vinden zijn. Het is logisch dat het bij ons het eerst gaat schuiven. Dat zien we ook bij vissen: Britse wetenschappers deden onderzoek naar de 20 belangrijkste Noordzeevissen en stelden voor tweederden daarvan een duidelijke verschuiving naar noordelijker wateren vast. Daarbij ook de kabeljauw, wat kan verklaren waarom garnaal volgens het ILVO op peil blijft. Kabeljauwachtigen eten immers garnaal. Als zij meer naar het noorden trekken, kan dat een gunstige invloed hebben op het garnaalbestand. Zo zou het ene klimaateffect het andere tegenwerken."