Het project was een initiatief van het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) dat op die manier beter zicht wou krijgen op de verschillende soorten aan de Vlaamse kust. De kokkel, ook wel hartschelp genaamd, werd het meest gevonden.

IJzig koud was het afgelopen zondag aan de kust, maar 400 burgers lieten zich niet afschrikken en gingen schelpen zoeken in de tien kustgemeenten. Er werden 30.200 schelpen opgeraapt.

Van de meer dan honderd soorten ooit aan onze kust aangetroffen, konden 58 soorten worden getraceerd. De talrijkste schelp was de kokkel. Deze hartvormige geribbelde soort komt aan onze kust vooral als fossiel voor. Deze schelpen getuigen van het waddenachtige landschap dat onze kust kende in de voorbije honderdduizenden jaren.

Op twee eindigde het nonnetje, bij het publiek ook wel bekend als 'portemonneetje'.

De derde plek is weggelegd voor de halfgeknotte strandschelp, een schelpdier dat al heel lang voorkomt aan onze kust en veelal als fossiel materiaal op het strand wordt aangetroffen. De mossel stond op de vierde plaats.

Interessant is ook dat een aantal schelpen duidelijk talrijker waren aan de West- dan aan de Oostkust. Dat geldt voor de Amerikaanse zwaardschede, de stevige strandschelp, de tapijtschelp en de rechtsgestreepte platschelp. De andere bodemgesteldheid in het ondiepe kustwater is hiervan de oorzaak.

Met het project wil het VLIZ het bestand in kaart brengen en zicht krijgen op de biodiversiteit. Dat ongeveer tien procent van de schelpen tot een exotische soort behoort zorgt voor interessante inzichten.

(BELGA)