Tijdens de officiële herdenkingsplechtigheid van 11 november op het gemeentehuis werd er een postume hulde gebracht aan heel wat personen, die de gruwel van de twee wereldoorlogen aan den lijve hebben meegemaakt. Hetzij als militair, hetzij als burger, vluchteling, werkweigeraar of opgeëiste. Onder de aanwezigen troffen we de 96-jarige Roger Verbrugge aan.
...

Tijdens de officiële herdenkingsplechtigheid van 11 november op het gemeentehuis werd er een postume hulde gebracht aan heel wat personen, die de gruwel van de twee wereldoorlogen aan den lijve hebben meegemaakt. Hetzij als militair, hetzij als burger, vluchteling, werkweigeraar of opgeëiste. Onder de aanwezigen troffen we de 96-jarige Roger Verbrugge aan.Roger zag het levenslicht op 7 november 1922. Hij was de zoon van Alexandre Verbrugge en Maria Rachel Dubaere. Roger had nog een zus Jacqueline. Het gezin Verbrugge woonde op de hoek van de Markt en de Kerkstraat, de woning die nu betrokken wordt door de familie van Alexandre van Cleemput.Na zijn lagere school trok Roger naar het college in Gent en vervolgens naar Geraardsbergen. Zijn hogere studies volgde hij in de Engelse Club in Gent. Vader Alexandre Verbrugge had op de hoek van de Tieltstraat en de Bekaertsdreef een weverij, Tissage Alexandre Verbrugge, die opgestart werd in 1912 in associatie met Maes en Barbier. In 1937 kwam de weverij volledig in handen van de familie Verbrugge. Op 20-jarige leeftijd stapte Roger in de zaak, die toen 44 weefgetouwen telde.In 1942 kreeg Alexandre van de Duitse overheid het bevel om de activiteiten in de weverij stop te zetten en een lijst van het personeel op te stellen en door te spelen aan de Werbestelle. "Mijn vader heeft altijd geweigerd zo'n lijst op te stellen omdat hij maar al te goed wist dat zijn werkkrachten in Duitsland zouden tewerkgesteld worden", vertelt Roger. "Dat betekende concreet dat ik als jonge gast ook mijn job verloor en net als de arbeiders van de fabriek moest onderduiken."In 1942 gebeurde er nog iets dat zijn leven zou veranderen. "Mijn oom Gustaaf Dubaere kwam in Brussel na een tragisch treinongeluk om het leven. Hij liet een weduwe na met drie kleine kinderen: Lucien, Etienne en Raoul. Tante Gabriëlle Vanden Avenne stond er plots alleen voor, zowel voor de opvoeding van haar drie kinderen als voor de vellenhandel die oom Gustaaf had opgestart. Ik ben dan bij haar ondergedoken en heb zoveel mogelijk geholpen om de handel in konijnen-, mollen- en geitenvellen voort te zetten.""Ondertussen nam de druk op mijn ouders dermate toe dat ik me aangemeld heb in Tielt en op 19 mei 1943 met een contingent van 500 à 600 burgers van Tielt op transport richting Duitsland werd gezet. We trokken via Aken door het Ruhrgebied tot in Leipzig. Daar kregen we te horen dat we in de vliegtuigindustrie in Dessau moesten werken, waar Junkers en Messerschmitt-toestellen van de band rolden. Ik heb toen mijn stoute schoenen aangetrokken en een gesprek gevraagd met de directeur van het Arbeitsamt. Ik vroeg hem om in de textielsector te mogen werken. Mijn vlotte kennis van de Duitse taal en de tabak die ik bij mij had, deden de rest.""Ik reisde door naar Zittau en van daaruit naar Ostritz om er als technisch bediende en medewerker van de ingenieur in de Vereinigte Jute-Spinnereien und Webereinen te werken. Ik werd er zelfs bij particulieren ingekwartierd. In Ostritz maakte ik kennis met een Meulebeeks echtpaar dat er op vrijwillige basis, maar uit economische noodzaak, kwam werken."Het leven daar viel nog best mee. "We kregen dagelijks ons rantsoen voedsel en werden niet in onze bewegingsvrijheid belemmerd. Mijn familie stuurde me geregeld een groot pakket met daarin - in pakjes van 50 gram - de tabak van bij ons, dat hier zijn gewicht in goud waard was en ons zo de nodige voedselbonnen bezorgde.""Tijdens de weekends trok ik nu en dan met de trein naar Gorlitz en Zittau. Dat was, gezien de afstand, altijd een reis van twee dagen. Ik ben ook drie keer in Dresden geweest. In de nacht van 13 op 14 februari 1945 heb ik van in de verte het bombardement van Dresden meegemaakt. Ik heb de Elbe zien branden, een beeld dat voor altijd in mijn geheugen gegrift staat. Op dat moment wisten we niet dat er mensen in kampen opgesloten zaten. Ik heb pas na de oorlog van de verschrikkingen in de kampen gehoord.""Eind april 1945 werd ik verplicht mee te helpen met de Volksturm. We moesten versterkingen aanleggen, loopgraven delven, mitrailleursposten uitgraven, wegversperringen aanbrengen om het Russische leger, in volle opmars, proberen tegen te houden. Op 2 mei 1945 hebben de Russen de brug over de Neisse opgeblazen en in de nacht van 3 en 4 mei ben ik gevlucht.""Het werd een calvarietocht van bijna een maand. Ik heb samen met hen die ook op de vlucht waren enorm veel ontberingen geleden, toch slaagden we erin nabij Pilzen, in Karlsbad, een Amerikaans kamp te bereiken. Vandaar ging het dan via Bamberg, Bayreuth tot in Keulen, een stad die plat gebombardeerd was en zo kwamen we in Luxemburg aan. Met de trein ging het vervolgens over Brussel, Gent en Deinze tot in Wontergem. Op 29 mei 1945 was ik weer in Meulebeke. Fons Maes van café In Den Olifant heeft dan gezorgd voor een groot feest op 10 juni. Er werd zelfs vuurwerk afgeschoten!""Wie dacht dat ik dan uiteindelijk mijn normaal leven kon oppikken, komt bedrogen uit. Een kleine vier maanden na mijn thuiskomst kreeg ik een oproepingsbevel om mijn legerdienst te vervullen bij het Belgische leger. Ik had nog maar eens geluk dat ik in Brussel bij de administratie terecht kwam. Wat die 'gedwongen jaren' Duitsland mij bijgebracht hebben? Een pak mensenkennis en vooral dat men in alle omstandigheden zijn mannetje moet staan. Ik besef dat ik een enorme dosis geluk heb gehad. Het is pas later dat men beseft dat duizenden anderen dat niet gehad hebben. Het maakt me nog altijd dankbaar dat ik er ben."(Luc Bouckhuyt)