Mark Van Landtschoote (55) woont in Ramskapelle op een boogscheut van de Frontzate, nu een heerlijk wandel- en fietspad, maar 100 jaar geleden voor Nieuwpoort cruciaal oorlogsgebied aan de IJzer. "Dit was hier in 1914 'niemandsland', zover je kon kijken alleen maar water", begint Mark het verhaal van zijn overgrootvader Désiré en grootvader Charles, die in 1914 hun boerderij in de Ieperstraat moesten verlaten en met de stroom mee richting Frankrijk trokken om van daaruit met een trein in de regio Mers-les-Bains/Le Tréport te belanden. Marks grootvader Charles werd vanuit Le Tréport in 1916 voor het front opgeroepen; hij belandde in Pervijze aan het front. De andere zonen van Désiré, Louis en Arthur, waren in 1914 al opgeroepen.
...

Mark Van Landtschoote (55) woont in Ramskapelle op een boogscheut van de Frontzate, nu een heerlijk wandel- en fietspad, maar 100 jaar geleden voor Nieuwpoort cruciaal oorlogsgebied aan de IJzer. "Dit was hier in 1914 'niemandsland', zover je kon kijken alleen maar water", begint Mark het verhaal van zijn overgrootvader Désiré en grootvader Charles, die in 1914 hun boerderij in de Ieperstraat moesten verlaten en met de stroom mee richting Frankrijk trokken om van daaruit met een trein in de regio Mers-les-Bains/Le Tréport te belanden. Marks grootvader Charles werd vanuit Le Tréport in 1916 voor het front opgeroepen; hij belandde in Pervijze aan het front. De andere zonen van Désiré, Louis en Arthur, waren in 1914 al opgeroepen."Mijn vader nog een Louis Van Landtschoote kon heel veel over de oorlog vertellen, maar mijn grootvader Charles zweeg daar liever over. Typisch", vertelt Mark, terwijl hij allerlei oude documenten, zoals het militaire paspoort en de definitieve 'verlofbrief' van zijn grootvader op tafel legt. "Ik heb heel veel oude, officiële documenten, maar ook persoonlijke correspondentie, zoals postkaarten, kaartjes met nieuwjaarswensen van Nieuwpoort naar Le Tréport en omgekeerd", mijmert Mark. "Precies alsof je bij het bekijken en aanraken van die oude documenten nog voelt wat de mensen hebben moeten doorstaan. Het waren harde tijden. Ik ben uiteindelijk al de vierde generatie later. Ik heb alles van horen vertellen, maar toch."Niettegenstaande alle leed kon Désiré nog van een groot geluk spreken, dat zijn drie zonen levend van het front naar huis keerden. "Mijn overgrootvader en grootvader moesten na 1919/1920, toen de meeste mensen niet allemaal terugkeerden, weer hun hele leven opbouwen. Ze hadden nagenoeg niets meer. De overheid, meer bepaald het Fonds Albert, zorgde voor noodbarakken voor hen die de stad wilden helpen heropbouwen. Ook Désiré had geen andere keuze. Of hij van het Fonds een barak kreeg, of er zelf een in elkaar geflanst had, weet ik niet."Had de oorlog Désirés boerderij helemaal met de grond gelijk gemaakt, dan was het dankzij een klein jong lindeboompje dat hij zijn eigen plek terugvond. "Het verhaal van de lindeboom gaat dus al honderd jaar mee", vertelt Mark verder. "Wilden mijn overgrootvader en grootvader niet veel over de oorlog vertellen, dan ging het verhaal van de lindeboom een eigen leven leiden. Voor de oorlog stond een grote lindeboom op Désirés erf. De boom werd net als alles door het geschut niet gespaard, maar na de oorlog is uit het puin, net naast de oude lindeboom een klein, nieuw boompje beginnen groeien. Dat boompje wees mijn overgrootvader de plek waar hij thuis was. Daar is Désiré dan weer herbegonnen.""Precies over die heropbouw wilden mijn voorvaderen niet veel kwijt", gaat Mark verder. "Ze vertelden het verhaal wel, maar het was altijd met een zekere woede en verbittering. Het ging altijd over 'dienDuuts' en 'ben je alweer aan het zagen over dien oorlog'. Heel boos maakte Désiré en Charles het feit dat die rijke binnenlanders naar hier kwamen, veel geld vaak zwart geld hadden en daarmee de pachtgronden van de boeren kwamen opkopen. 'Wij hebben niets meer. Wij moesten soldaat zijn, het land dienen en hebben niets gekregen. Die rijke binnenlanders komen hier onze grond weghalen'. Die pachtgronden hadden boeren zoals mijn overgrootvader en vader hard nodig, om weer te kunnen werken, een inkomen te hebben, kortom om weer een leven te kunnen opbouwen."In de familiegeschiedenis van de Van Landtschootes is de oorlog alom aanwezig, temeer er twintig jaar later nog eens een oorlog uitbrak en Nieuwpoort weer heel wat onder het oorlogsgeweld te lijden had. "Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werd onze hoeve vernield en ook dan sneuvelde de intussen twintig jaar oude lindeboom, en weer is er na de oorlog een nieuw boompje naast de oude beginnen groeien. Het (voor)ouderlijke huis is nu niet langer bewoond. Mijn grootvader Charles had acht kinderen, zeven zonen en een dochter. Vorig jaar overleed de laatste, mijn tante Regina, die naast de boerderij in de Ieperstraat een bloemenzaak had. En de lindeboom? Die heeft ook zijn beste tijd gehad. De boom staat er nog, maar hij is ziek. De kans is groot dat hij samen met de laatste Van Landtschoote, die op die plek woonde en werkte, weldra verdwijnt. Het einde van een hoofdstuk", mijmert Mark.