Havensteden zijn kwetsbaar in oorlogstijd. Het is geen toeval dat steden als Rotterdam, Le Havre, Antwerpen, maar zeker ook Oostende, het hard te verduren kregen in de Tweede Wereldoorlog. In de Stad aan Zee was de materiële schade aan openbare gebouwen en huizen na de oorlog enorm. Het stadhuis, de hippodroom, het kursaal, de vismijn, het hoofdpostkantoor, het koninklijk chalet... allemaal werden ze door brand, bommen, explosies getroffen en vernield. Dijkvilla's en herenhuizen in het centrum werden onherstelbaar toegetakeld.

De naoorlogse stedenbouwkundige ingrepen tekenen zich eerder af dan de architecturale. We zien de nog kale Verenigde Natiënlaan, het Vuurkruisenplein en de Leopold II- en Leopold III-laan. Het toekomstige stadhuis rijst stilaan vanuit de funderingen op. © Stadsarchief Oostende

Na de oorlog drong een snelle heropbouw zich op. Stedenbouwkundige Jean-Jules Eggericx kreeg van de overheid de opdracht een nieuw plan voor de uitbouw van de stad te ontwikkelen als een raster waarbinnen de heropbouw van het centrum verankerd lag. In 1946 stelde de stad Arnold De Vos aan als ingenieur-architect. Toenmalig burgemeester Henri Serruys wist van aanpakken en wou zijn verwonde stad er zo snel mogelijk weer bovenop halen. "In geen enkele andere Belgische stad startte de wederopbouw zo snel", zegt Marc Dubois (68), zelf architect en curator van de tentoonstelling over de wederopbouw. "En nergens anders kreeg het modernisme met veelbelovende architecten als Gaston Eysselinck, Léon Stynen en Victor Bourgeois zo'n dynamische invulling."

Leopoldlanen

"Voortbouwend op de avenues ten tijde van Leopold II ontwierp Eggericx de Leopold II- en de Leopold III-laan, bedoeld om de massatoerist met de auto vanaf het einde van de geplande autosnelweg richting strand of treinstation te loodsen. Ingrijpend was ook het dempen van het derde handelsdok om het nieuwe en huidige stadhuis te bouwen. Wat vroeger de periferie was, bleek na de oorlog deel uit te maken van een nieuw stadscentrum", vertelt Dubois.

De Kursaalplannen van Stynen pasten in de democratisering van het kusttoerisme - curator Marc Dubois

Na de dood van burgemeester Serruys, die in 1952 overleed aan maagkanker, wist zijn opvolger Adolphe Van Glabbeke als minister van Openbare Werken en Wederopbouw grote budgetten voor zijn stad opzij te zetten. Al in 1947 was overigens gestart met de plannen voor het postgebouw en wat later het kursaal. "In eerste instantie was het niet het stadsbestuur dat de architecten koos. Die keuze werd bepaald door hogere instanties. Zo werd Eysselinck aangesteld door de RTT-PTT (de post van toen, red.), Léon Stynen mocht aan het werk via een architectuurwedstrijd en ook het stadhuis van Bourgeois werd door Brussel gedicteerd. Nu, ik vermoed wel dat de invloed van Van Glabbeke in Brussel niet te onderschatten was bij de gemaakte keuzes. De ontwerpers van het stadhuis en het Feest-en Kultuurpaleis werkten bovendien nauw samen met Oostendse confraters André Daniëls en Bernard Christiaens."

Heldere visie

"Met het kursaal en het postgebouw krijgen twee architecten die aan het begin van een veelbelovende carrière staan hun kans", gaat Dubois verder. "Een loopbaan die helaas voor Eysselinck mede door familiale problemen vroeg en abrupt eindigde, toen hij in 1953 uit het leven stapte."

Curator Marc Dubois bij het Zeeliedenmonument van Willy Kreitz dat net als de vuurtoren ook deel uitmaakt van het naoorlogse Oostende. © ML

Gaston Eysselinck, die koppig maar met visie niet zelden diametraal tegenover zijn opdrachtgevers -de minister van PTT-RTT en het stadsbestuur - stond, had een heldere en doordachte visie op de stedenbouwkundige heraanleg van Oostende. "Eysselinck was het volmondig eens met Eggericx dat het stadhuis best herbouwd werd op het gedempte dok. Ook de twee aslijnen van de Leopoldlanen vond hij prima. Maar het kursaal zag hij liever op de site van het verwoeste Royal Palace Hotel tegenover de paardenrenbaan, omdat de toeristische expansie zich ook westwaarts voltrok. Op de huidige locatie van het kursaal wou hij een laag informatiekantoor bouwen en op de plaats van het zwaar toegetakelde koninklijk chalet plande hij een nieuwe bibliotheek en een maritiem museum. Het stadsbestuur nam zijn voorstellen nooit in overweging."

De Wellingtonrenbaan. © Stadsarchief Oostende

Eysselinck verdedigde wel de kursaalplannen van Stynen, omdat die beantwoordden aan de democratisering van het kusttoerisme. "In die zin was hij een socialist die zich verzette tegen de terugkeer van de burgerlijke architectuur, gericht op luxetoerisme voor een elitair publiek."

Feest- en Kultuurpaleis

Een nieuw stadhuis, het kursaal van Stynen, het postgebouw... het waren moderne verwezenlijkingen die gezien mochten worden, maar het Feest- en Kultuurpaleis - ondertussen een winkelcentrum - aan het Wapenplein beschouwt Dubois als een mislukking. "Omdat de aanspraak op herstelbetaling bijna ten einde liep moesten die plannen in amper 40 dagen op papier staan. Te veel functies werden er geïntegreerd in één gebouw: een feestzaal, een bibliotheek, een toneelzaal... wat mij betreft een drama in het kwadraat."

Na de inspirerende wereldtentoonstelling op de vooravond van de Golden Sixties in 1958 volgden twee decennia architecturale armoede in Oostende. "The sky was toen letterlijk the limit. Zowel in Brussel als Oostende gingen waardevolle panden tegen de vlakte. Hier moest de schouwburg bijvoorbeeld wijken voor het fel gecontesteerde Europacentrum van burgemeester Jan Piers."

Postgebouw

Marc Dubois zat zowel in het lager als in het middelbaar in het Onze-Lieve-Vrouwecollege. "Eerst in de Ieperstraat, later in de Molenstraat. Beide schoolgebouwen waren gebouwd naar een ontwerp van prof. Paul Felix. Diezelfde architect zou de studiekeuze van de toen 17-jarige Dubois bepalen. "We gingen vaak met vaders nieuwe auto op zondag naar de mis in de kapel van de Arme Klaren die deel uitmaakte van het nieuwe slotklooster Het Zonnelied, ontworpen door Felix. Daar kwam ik zo onder de indruk van de sobere, maar sterke architectuur van de kapel dat ik besloot om architect te worden."

Een perspectieftekening van het nieuwe stadhuis, ontworpen door Victor Bourgeois in 1954. De wens van de middenstand voor een reconstructie van het oude stadhuis op het Wapenplein werd afgeketst. © Stadsarchief Oostende

Gevraagd naar zijn absolute hoogtepunt uit de jaren van de heropbouw kiest Dubois zonder aarzelen voor het postgebouw - nu het cultuurcentrum Grote Post - als het summum van de naoorlogse modernistische architectuur in Oostende. "Dat is hors categorie! Daarom heb ik het altijd sterk verdedigd als publicist. Als cultureel centrum bewijst het honderd procent zijn waarde. Maar voor het onherroepelijk te laat is, breek ik ook een lans voor de renovatie van de Koninklijke Gaanderijen en het stadhuis. Een stad die pionier was in de naoorlogse wederopbouw mag het meest unieke zeefront aan de West-Europese kust nietlaten verloederen!"

'Vernieling en wederopbouw. Oostende 1944-1958' in de Venetiaanse Gaanderijen van 25 mei tot 29 september. Dagelijks van 14 tot 18 uur. Op zondag ook van 10 tot 12 uur. Er zijn ook bezoeken aan het kursaal, de Grote Post en Mu.ZEE gepland. Ook een verzorgde publicatie is te koop.