Michel (87), Dina (82) en Anna (79) Deleu wonen al hun hele leven in Wevelgem. Op drie jaar na. In 1942 vluchtten ze mee met vader Jerôme, moeder Hélène Donckels en hun ondertussen overleden broer Daniël naar Moult, een dorpje in de Calvados. Van de Tweede Wereldoorlog hadden ze hier in Wevelgem lang weinig gemerkt. De uiteindelijke reden om toch te verhuizen was een hevig bombardement in hun straat, vlakbij het geviseerde vliegveld van Kortrijk. Het werd er te gevaarlijk, vond vader Jerôme. Zijn baas Jules Vervisch regelde een job in de Normandische vlasfabriek van zijn broer Alidor.
...

Michel (87), Dina (82) en Anna (79) Deleu wonen al hun hele leven in Wevelgem. Op drie jaar na. In 1942 vluchtten ze mee met vader Jerôme, moeder Hélène Donckels en hun ondertussen overleden broer Daniël naar Moult, een dorpje in de Calvados. Van de Tweede Wereldoorlog hadden ze hier in Wevelgem lang weinig gemerkt. De uiteindelijke reden om toch te verhuizen was een hevig bombardement in hun straat, vlakbij het geviseerde vliegveld van Kortrijk. Het werd er te gevaarlijk, vond vader Jerôme. Zijn baas Jules Vervisch regelde een job in de Normandische vlasfabriek van zijn broer Alidor. (Lees verder onder de video)Hun huis in Wevelgem werd verhuurd, de meubels konden mee met het gezin op een spoorwegcontainer. "We waren blij dat we weg waren uit die gevaarlijke situatie", weet Michel nog. Zijn zussen waren toen zeer klein, maar hij was al 11 jaar en kan nog in geuren en kleuren vertellen over wat ze allemaal meemaakten. "Van de oorlog was er in Moult niets te merken. Soldaten waren er nooit te zien. Wij gingen gewoon naar school en kwamen niets te kort."Maar in mei 1944 stroomden er in Moult plots Duitse soldaten toe. "Ze waren gekazerneerd in de hangar van de fabriek waar mijn vader werkte. Onrust was er wel niet. Het leven ging gewoon rustig door... tot die ene nacht. Op 6 juni, klokslag middernacht brak de hel los. (zwijgt even) Ik ga het nooit vergeten... De klok van de kerk luidde nog toen het allemaal begon. We schoten wakker door een ongelooflijke reeks bombardementen. Alles daverde en beefde! Je kan je dat niet voorstellen. Het was alsof de wereld verging. Vader zei: 'als ze nu niet geland zijn, ken ik er niets meer van'. In tien minuten werd meer dan 2.000 ton munitie afgevuurd, hoorden we later.De geallieerde troepen landden aan de kust over een afstand van verschillende kilometers, dus niet enkel op Ohama Beach. Ook Caen, de hoofdstad van de Calvados waar we niet zo ver van woonden, werd gebombardeerd. Die nacht merkten we voor het eerst ook paniek bij de Duitsers. Ik hoor ze nog roepen: 'langs alle Seiten schiessen!'."Die zesde juni viel het leven in Moult stil. Van schoolgaan was geen sprake meer. "De rest van de maand was er een weg- en weerrijden van Duitsers. Ze voerden troepen aan. Twee dagen na de landing werden er geallieerden uit de lucht gedropt in Troarn, op 12 kilometer van ons huis. Caen en de streek errond werd verder gebombardeerd. Ondertussen arriveerden er Duitse soldaten bij ons thuis. De officieren eisten een kamer op en mijn moeder moest koken. Zij zorgden voor alle voedsel, zo hadden wij met ons gezin geen eten tekort... Maar we zaten nooit samen met de militairen aan tafel!"(Lees verder onder de video)De onrust bleef duren. "Op 18 juli keek een van de officieren 's morgens om vijf uur buiten naar de Engelse vliegtuigen die voorbijvlogen. Ze zeiden ons dat ze bommen mee hadden. Ik mocht zelfs eens meekijken door de verrekijker en zag inderdaad de bommen hangen. De soldaten maanden ons aan om naar onze schuilgracht te gaan. Die hadden we in een weide gemaakt met platen en balen vlas op. We dachten dat we daarmee beschermd waren. We beseften toen niet dat als er een bom op had gevallen, we allemaal levend verbrand zouden geweest zijn... Wij overleefden het bombardement. Zes koeien in de weide waar wij schuilden waren dood." Twee dagen later moest het hele dorp ontruimd worden op bevel van SS-ers. Het gezin ging op de vlucht met een wagen en paarden van de familie Vervisch. "Onze eerste halte was bij een Belgische boer. We mochten niet slapen in de paardenstal. De boer zei dat zijn paarden onrustig zouden worden. Plots kwam er een amfibiewagentje met enkele Duitse officieren aan. Ze vroegen wat er gaande was en vader vertelde dat we er niet mochten slapen in de stallen. De Duitsers verplichtten daarna de boer om stro in zijn graanzolder te leggen en er ons te laten slapen." (Lees verder onder de video)"De volgende dag kwamen ook verschillende vluchtende Fransmans aan. De Duitsers kookten voor ons. Ze schoten de mooiste koe van de boer dood om deze klaar te maken. Ik mocht met een grote kom eten halen voor heel ons gezin. De Fransen mochten ook mee eten maar antwoordden: 'on n' a rien besoin des Boches'. (grijnst) De volgende dag waren de hongerige Fransen wel de eersten om eten te krijgen, want er was anders niets meer." "Nog een dag later ging de hele karavaan verder op de vlucht. We logeerden uiteindelijk in een oud Normandisch huisje van een andere Vlaamse boer. Ik denk dat het er niet groter was dan vijf op vijf meter, het was eigenlijk voor de kippen. We kregen een tafel en twee stoelen en stro om op te slapen. We hadden er geen licht en leefden 's avonds bij kaarslicht. Ik weet nog dat er op een avond een Duitse officier voor de deur stond. Hij vroeg of hij mocht binnen komen. Moeder stond haar stoel af en hij zette zich aan tafel. Hij haalde een kruisbeeld van zo'n 15 cm groot uit zijn zak en zei 'Ich bin Pastor'. Hij wou zijn levensverhaal vertellen omdat hij een voorgevoel had dat hij niet meer zou terugkeren van het front. Toen zijn compagnie de dag erop terugkwam, was hun aantal gehalveerd. Hij was er inderdaad niet meer bij."Toen alle Duitsers na een maand weg waren, kwamen de Engelse soldaten. Zij stelden het gezin gerust, ze konden terug naar Moult. De broers Daniël en Michel trokken eerst naar het dorp om te kijken of hun huis er wel nog stond. "De afspraak was dat als we niet zouden terugkeren, alles in orde was om de rest van het gezin te laten volgen. Toen ik aan ons huis kwam, stond ik te wenen omdat er een gat in het dak was. De Franssprekende Canadezen die er ondertussen logeerden, vroegen wat er scheelde. Ik zei dat dit mijn huis was en hij liet me binnen want 'mijn vader was er ook al'. Ik zei dat dit niet kon, en toen ik binnenkwam, zag ik de politieman van het dorp die zich uitgegeven had als bewoner van het huis. Die vluchtte onmiddellijk toen hij ons zag." Het gezin Deleu bleef nog een tijd in Moult wonen, maar het leven werd er moeilijk. "Mijn vader kon er niet meer werken in het vlas, want de fabriek was gedynamiteerd. Hij deed er allerlei karweien, maar we overleefden vooral dankzij rantsoenzegels. In augustus 1945 zijn we teruggekeerd naar België."75 jaar later denkt Michel nog vaak aan hun leven in Normandië. Hij keerde nog verschillende keren terug naar Moult en altijd passeerde hij bij het huis waar ze gewoond hebben. Naar musea over de landing is Michel nooit geweest en een film hierover heeft hij nooit willen bekijken. "We hebben teveel meegemaakt toen we hier woonden", zegt hij. "Ik kan me alles nog levendig voorstellen. Geen enkele film kan weergeven hoe dat geweest is. Ik zie nog altijd voor me hoe lijken in een put gegooid werden. Zulke beelden vergeet je nooit meer. Jammer genoeg zijn mensen op vandaag nog altijd niet geleerd. 75 jaar later zijn er nog altijd oorlogen..."