De energieke eeuweling woont nog altijd in zijn eentje in zijn huis in de Moeskroenstraat, weliswaar dagelijks bijgestaan door een team thuisverplegers. "Boven mijn schouders is alles nog perfect", vertrouwt hij ons toe. "Mijn kop wassen en scheren doe ik zelf. Maar voor alles daaronder hang ik af van de verpleegsters."
...

De energieke eeuweling woont nog altijd in zijn eentje in zijn huis in de Moeskroenstraat, weliswaar dagelijks bijgestaan door een team thuisverplegers. "Boven mijn schouders is alles nog perfect", vertrouwt hij ons toe. "Mijn kop wassen en scheren doe ik zelf. Maar voor alles daaronder hang ik af van de verpleegsters.""Voor een honderdjarige stelt hij het heel goed", nuanceert thuisverpleegster Kathy Casier zijn woorden. "Hij kan nog altijd genieten van een grote kom mosselen, die hij zelf klaarmaakt. Hij is erg kranig en klaagt nooit." "Ik heb dan ook een fantastisch leven gehad", glimlacht Simon.Op zijn dertigste trouwde hij en kwam met zijn vrouw Elza in de Moeskroenstraat wonen. "Mijn echtgenote was zelfstandig naaister. Ze heeft me erg goed gesoigneerd, maar in 1988 is ze overleden. Mijn zoon overleed in 2009. Samen met de dood van mijn vader, die stierf toen ik zestien jaar was, waren dat drie erg ingrijpende gebeurtenissen in mijn leven", mijmert Simon.Maar in zijn huis voelt hij zich allerminst eenzaam. "De thuisverplegers komen elke dag, ik heb een poetsvrouw en iemand die mijn boodschappen doet. Eén keer per maand ga ik buiten wandelen met de kinesiste en mijn schoondochter zorgt voor de rest. Ik kijk naar Blokken en naar het nieuws en elke week lees ik De Weekbode helemaal uit. Eigenlijk leef ik nu als een baron", zegt hij met fonkelende ogen.Simon Stragier werd in 1920 geboren in de Lageweg, waar hij samen met zijn oudere zus opgroeide. "In mijn jeugdjaren was de Leie nog de 'golden river'. Ik herinner me de vlaskapelletjes op een groot veld vlak bij mijn huis en de boerenkarren die over de straat dokkerden." "Er waren amper auto's, dat was alleen weggelegd voor een dokter of een notaris. En dus speelden we als kind altijd op straat. Met een stok rolden we een oud fietswiel voort en we speelden met de toppeer of met de marbels. Ook met de rulle speelden we graag, dat was een meikever die we aan een draadje lieten rondvliegen. We probeerden om het meest mussen te vangen, die in de paardenstronten op straat naar graantjes zochten. Wanneer we een grote hoefnagel vonden, trokken we naar de vlakbij gelegen ijzerweg. We legden de nagel op de rails en wachtten tot de trein passeerde. Onze nagel was dan zo plat als een vijg en zo hadden we meteen ons eigen mes." Net als zijn buurjongens wilde Simon in een fabriek over de grens gaan werken. Maar vader Stragier, die bij de douane en accijnzen werkte, stuurde zijn veertienjarige zoon op pensionaat in Doornik om er zijn Frans te leren. Uiteindelijk liep hij school tot zijn negentiende, waarna hij zijn legerdienst vervulde."De oorlog brak uit en na de Belgische overgave mochten we allemaal naar huis. Even bemande ik een bureau met zegels voor brood, vlees en aardappelen. Maar toen kreeg ik te horen dat ik geslaagd was voor de RTT-examens (Regie voor Telegrafie en Telefonie), die ik eerder had afgelegd. Ik mocht beginnen in Moeskroen, waar men me aanmaande om verder te studeren. Dat heb ik ook gedaan. Zo werd ik de allereerste 'specialist in de automatische telefonie' in Kortrijk."Het duurde niet lang of hij werd ontboden op het hoofdkwartier van een hoge Duitse bevelhebber in Kortrijk. "Een grote automatische telefooncentrale in dat huis had het begeven. Ik verstond geen woord van wat die bevelhebber me toesnauwde", imiteert Simon de Duitse officier. "Toen ik de grote telefoonkast opende, zakte de moed me bijna in de schoenen. Zoiets had ik nog nooit gezien... Met mijn vinger veegde ik wat stof van de contacten en meteen marcheerde het spel weer! Daarna moest ik er nog geregeld depanneren, tot ik plots te horen kreeg dat ik in Duitsland moest gaan werken. Gelukkig zorgde een telefoontje van de RTT-directie ervoor dat ik toch niet moest vertrekken. Ik kreeg een Schein voor onbeperkte duur. Met die pas kon ik hier blijven rondlopen zonder het risico om door de Gestapo opgepakt te worden." Na de oorlog bouwde Simon verder aan zijn carrière bij de RTT. "Ik was ambitieus en wou maar één ding: de top bereiken", klinkt het. Na nieuwe examens maakte hij promotie en uiteindelijk waagde hij zich ook aan het examen van afdelingschef. "Dat was een topfunctie, bestemd voor universitairen. Ondanks het feit dat ik nooit unief gedaan heb, slaagde ik toch. Ik werd afdelingschef in Brussel en twee jaar later kreeg ik in Kortrijk de leiding over 250 man", blikt hij 35 jaar na zijn pensioen op zijn loopbaan terug.(CB)