Jeroen Maes viert tiende verjaardag van Het Prethuis op de planken: “Hamlet spelen interesseert me niet. Geef mij maar volkstheater”

Jeroen Maes: “We horen vaak na een voorstelling dat de mensen ‘weer een liter vers bloed hebben’. Een heel mooi compliment.” © Christophe De Muynck
Bert Vanden Berghe

Volgende week is het tien jaar, bijna dubbel zoveel producties en net geen duizend voorstellingen geleden dat Jeroen Maes voor het eerst een zaal vulde met Het Prethuis. De acteur, bekend van televisiereeksen als ‘Wat nu weer?!’, had naar eigen zeggen nooit durven denken dat ‘zijn’ West-Vlaams volkstheater het zo goed zou doen. Al wordt zijn nieuwste productie volgend voorjaar misschien wel de spannendste ooit, de klad zit er dus nog lang niet in. “Al ga ik geen problemen hebben om dit ooit los te laten, nee.”

In het dagelijks leven is hij eerder gereserveerd en ingetogen van aard, maar op het podium van Het Prethuis fleurt Jeroen Maes helemaal op. Ook al omdat al zijn fratsen, die in zijn hoofd speelden, voor zijn ogen tot leven komen. Momenteel trekt Het Prethuis door Vlaanderen met De Quaghebeurs, een comedy die ze voor het eerst speelden in 2016. De situatiekomedie speelt zich af in het funerariummilieu, maar vergis je niet: het volkstheater is springlevend. Meer nog: in het komende half jaar zijn er liefst drie producties op komst. “Pittig, ja. Maar we mogen echt niet klagen”, klinkt het.

Misschien even terug naar het begin: vanwaar het idee voor Het Prethuis?

“Ik wilde al een tijdje iets doen met bekende West-Vlaamse acteurs en actrices. Op dat moment stond ik in Het Witte Paard en ik sprak erover met Kenneth Smets, al de vierde generatie die de zaal uitbaat. Hij wilde iets doen in de zaal ernaast, in ’t Colisée. Kom, we gaan ervoor, dachten we. Dus ging ik aan het schrijven. En alle spelers die ik graag had gewild, zeiden toe.”

Had je toen al het idee om er iets regelmatigs van te maken?

“Ik had die hoop wel, maar ik wilde eerst afwachten hoe het verliep. Ik herinner mij nog levendig die premièreavond. Door zo vaak te repeteren zie je op den duur de grappen niet meer of lach je niet meer. Maar tot mijn verbazing begon het publiek al te lachen vanaf de eerste minuut en gingen ze even later helemaal uit de bol. We hadden toen een tourneetje gepland. Ik dacht toen al: wauw, tien voorstellingen. Maar kijk nu, met De Quaghebeurs zitten we intussen aan 42 voorstellingen. En voor de volgende – Frank wordt Francine – staan er 62 op de planning. Ik ben daar dankbaar voor. Ik kan in principe mijn hele jaar vullen met Het Prethuis. Dit is een jongensdroom die uitkomt.”

In welke zin?

“Thuis keken we vaak naar de Nederlandse zenders en ik keek altijd vol bewondering naar het Theater van de Lach van John Lanting. Ik zag de voorstelling Een kus van een Rus, was 12 jaar en dacht: stel je voor dat ik zoiets zou kunnen doen later.”

Jouw vader is acteur. Maakte dat een verschil?

“Dat heeft vast wel geholpen, maar hij heeft me nooit gepusht. Ik vond het als kind ook altijd geweldig om mee te gaan naar Theater Antigone. Door hem heb ik wel die liefde en passie voor theater ontdekt. Thuis was er geen discussie of zo omdat ik Studio Herman Teirlinck wilde doen. Iedereen moet zijn eigen weg vinden, zeiden ze.”

Ooit samengespeeld met je pa?

“Nee, maar in De Quaghebeurs gebeurt dat wel min of meer via zijn stem…”

Jeroen wordt door heel wat collega's bejubeld: “Maar de waardering is minstens wederzijds.”
Jeroen wordt door heel wat collega’s bejubeld: “Maar de waardering is minstens wederzijds.” © Christophe De Muynck

Hoe kijkt hij naar jou?

“Ik merk dat hij heel trots is. Heel emotioneel ook, al zit de ouderdom daar vast ook voor iets tussen. Maar mijn ouders zijn er altijd graag bij, wat mij zeer veel plezier doet. Of ik me wilde bewijzen tegenover hen? Niet bepaald. In het begin is dat spannend als je ouders in de zaal zitten en het doet nog altijd veel deugd als ik merk dat ze genieten, maar ik heb niet de drang om mij te bewijzen.”

Je broer en zus zijn een andere richting uitgegaan.

(knikt) “Mijn broer is wiskundeleraar, al heeft hij zeker ook het talent om te schrijven en spelen. Mijn zus ontwerpt meubelen, in zekere zin is zij dus ook artistiek ingesteld.”

Ben jij getrouwd met het theater of is er toch nog ruimte voor de liefde?

“Ik heb al twaalf jaar een vriend. Hij is van Hasselt afkomstig, steunt mij heel erg en verstaat ondertussen al vlot West-Vlaams, ja. Hij werkt als verpleger.”

Is er bij jou ooit een ander beroep door je gedachten geschoten?

“Nee, eigenlijk niet. Ik moest er gelukkig ook niet aan denken. Maar dat is een heuse evolutie geweest. In het begin doe je voor alles auditie, maar gaandeweg leer je jezelf beter kennen en weet je wat je kan en ook niet zo goed kan.”

Ook in het schrijven?

“Hiervoor schreef ik al sketches voor Het Witte Paard en deed ik ook regies van amateurverenigingen. Daar heb ik gaandeweg de voeling gekregen dat het wel iets voor mij zou zijn. Dat schrijven is best intens. Je begint met een basisidee en daarna sijpelen al snel de eerste wendingen in het verhaal door. Maar eens je de juiste personages hebt, moet je ze gewoon met elkaar laten babbelen. Natuurlijk zit ik wel eens vast, maar dan laat ik het even liggen. Waar ik mijn inspiratie vandaan haal? Het dagelijks leven. De dingen die ik hoor of zie. Indrukken die ik krijg door met mensen te babbelen. (denkt na) Ik heb gaandeweg wel vertrouwen gekregen in mezelf. Ik begin stilaan te denken dat ik er misschien wel talent voor heb. Want comedy schrijven en spelen is echt een ambacht.”

Je schrijft en bedenkt alles op je eentje, dus het vereist wel een dosis lef om een script op tafel te leggen. Het moét grappig zijn en je kan het niet meteen aftoetsen bij een collega.

“Zeker in het begin was dat zo, dan stuurde ik het met een klein hartje door. Maar ik kreeg altijd enthousiaste reacties terug. Maar dat blijft nog altijd een spannend moment. Dat was zeker zo bij Ron Moss (bekend van The Bold and the Beautiful, red.). Hem inschakelen voor een voorstelling was eigenlijk een idee van Kenneth. Ik dacht dat hij nooit zou toezeggen, maar hij bleek interesse te hebben en dus ging ik aan het schrijven. Ik stuurde het stuk Brasschaatse Huisvrouwen door, maar tot mijn verbazing kreeg ik geen opmerkingen terug. Integendeel, het is perfect, zei hij. Een grote opluchting.”

De vader van Jeroen stond ook op de planken: “Maar ik wilde me niet bewijzen tegenover hem, nee.”
De vader van Jeroen stond ook op de planken: “Maar ik wilde me niet bewijzen tegenover hem, nee.” © Christophe De Muynck

Ik sprak al vaker met acteurs die bij jou spelen, van Ron Moss tot Leen Dendievel of Peter Bulckaen. Wat opvalt, is dat ze telkens je schrijftalent en comedytiming bejubelen. Niet omdat ze op een goed blaadje willen staan, maar omdat ze het echt menen.

“Omgekeerd geldt dat evenzeer. Ik vind het belangrijk dat Het Prethuis niet alleen prettig is voor het publiek, maar ook voor de mensen die op het podium staan. Tot nu toe is dat altijd gelukt. Het is ook geweldig om met mensen als Peter en Leen te werken, die zo weer op hun pootjes terechtkomen mocht het de mist ingaan.”

Vind je dat er in deze tijden van grote musicals genoeg appreciatie is voor het soort volkstheater dat jullie brengen? Of wordt er soms op neergekeken?

“Wellicht wel, maar ik trek mij dat niet aan. Dan moet je maar niet komen kijken. (lacht) Maar de volle zalen spreken voor zich. Ik doe het graag, heel graag en ben er ook trots op. Je hebt waarschijnlijk mensen die daarop neerkijken, maar omgekeerd ken ik ook mensen die sceptisch zijn tegenover het genre, maar dan wel onder de indruk zijn als ze komen kijken.”

Je klinkt zelfzeker, maar zijn er ook dingen waar je wél wakker van ligt?

“Soms om alles geregeld te krijgen. Daar komt heel wat werk bij kijken. Schrijven, produceren, spelen… Ik doe ook de verkoop van de stukken zelf. En tijdens het schrijven is het wel eens moeilijk als je vastzit.”

Waarom neem je nog die praktische zaken erbij? Is het niet makkelijker om te focussen op het creatieve?

“Ik heb graag de controle. In die zin ben ik een beetje een controlefreak, ja. Maar ik vind het ook oprecht geweldig, dat contact met culturele centra en verenigingen. Dat maakt mijn job veel persoonlijker. En het helpt ook om het overzicht te bewaren.”

In het dagelijks leven ben je niet bepaald de mens die het hoge woord voert…

“Ik ben niet bepaald de geestige nonkel op feestjes, nee. (lacht) Op het podium kan ik me wel volledig uitleven en vind ik het ook zalig om mij helemaal te smijten.”

Waarin schuilt het succes van Het Prethuis?

“Dat mensen duidelijk weten naar wat ze komen kijken. We staan voor een avondje amusement, waarbij ze hun zorgen kunnen vergeten. Vandaag is er de crisis, de oorlog… Bij ons kunnen ze gewoon hun zorgen vergeten en meegaan in het verhaal. We horen het vaak na een voorstelling: we hebben weer een liter vers bloed. Dat doet deugd. Het heeft ook geen zin om ons plots aan een thriller of drama te wagen. Na De Quaghebeurs spelen we Café Beveren, dat ook gevoelige passages bevat. Die lach en een traan, dat is een tranche de vie (een greep uit het leven, red.). Zolang je er maar blijft over waken dat het comedygehalte en de kwaliteit hoog blijft.”

Voor andere theatergezelschappen is het soms harken, maar jullie blijven volle zalen trekken. Is de verleiding dan ook niet groter om méér te willen?

“In De Spil in Roeselare spelen we voor 800 man en in Wielsbeke in een zaal van 250 man. Dat is ook een onderdeel van onze sterkte: wij gaan naar de gemeentes zelf, ongeacht de grootte van de zaal. Want je merkt dat elke stad of gemeente zijn eigen publiek heeft. En dat ze zoiets graag dichtbij zien.”

Is dat tijdloos of vrees je ervoor om gedateerd te worden?

“Goeie vraag. Ik stelde tijdens Weekendje Bouillon vast dat we een steeds jonger publiek aantrekken, waarbij ik hoop dat die trend zich verderzet. Qua onderwerpen probeer ik mee te gaan met wat er speelt in de media of de maatschappij.”

Volgend voorjaar plannen jullie ‘Frank wordt Francine’, waarbij de titel al het onderwerp verraadt. Is het moeilijker om comedy te schrijven nu er meer spelregels qua ras en gender zijn?

“Nee, maar het maakt het wel… uitdagender. De humor zit er vooral in hoe het personage kijkt naar een bepaald gegeven. Maar daarin kan veel, volgens mij. Zolang je het thema maar respectvol behandelt en dat probeer ik wel. Als er uitspraken zijn, is het heel duidelijk vanwaar die komen, zoals in dit geval van een euh… felle buurvrouw.”

De kritiek luidt vaak dat je het op die manier wel normaliseert dat er gelachen wordt met mensen.

“Ik probeer dat niet te veel te analyseren, of me er in elk geval niet te veel laten door leiden. Ik probeer het vooral aan te voelen, rekening te houden met mijn eigen moraal. Maar ik ben wel benieuwd naar Frank wordt Francine. Het is spannend. Eigenlijk zouden we het twee jaar geleden al spelen.”

Vanwaar het idee trouwens?

“De coming-out van Bo Van Spilbeeck een paar jaar geleden. Ik heb met haar gebeld en ze was erg enthousiast over het idee. Ik hoop dan ook dat ze komt kijken.”

“Ik heb Bo Van Spilbeeck gesproken en ze was enthousiast over ‘Frank wordt Francine’. Ik hoop dat ze komt kijken.”
“Ik heb Bo Van Spilbeeck gesproken en ze was enthousiast over ‘Frank wordt Francine’. Ik hoop dat ze komt kijken.” © Christophe De Muynck

Zijn er passages die je vijf jaar geleden wél had durven schrijven?

“Er zijn nu al een paar zaken die anders zijn dan vijf jaar geleden. Maar dat gaat eerder over details. Nog eens, ik probeer het wat aan te voelen. Op de lezing onlangs kwam er in elk geval geen commentaar. Sowieso zal ik nooit de platte toer opgaan. Daar hou ik zelf niet van, ik vind dat niet eens grappig.”

Je kroop een paar jaar geleden zelf nog in de huid van tante Sidonia.

“Goh, dat is de eeuwige discussie, hé. Moet je enkel spelen wat je bent? Een acteur is transformeren. Als je enkel jezelf moet spelen, dan is de fun er snel van af.”

Weet je dat het volgend jaar 30 jaar geleden is dat je je televisiedebuut maakte?

“Euh, nee.”

In ‘Zomerrust’ godbetert.

“Ha, ik zat nog op school toen!” (lacht)

Al zullen de meeste mensen je nog kennen als Freek van ‘Wat nu weer?!’, gok ik.

“Dat gebeurt niet meer zo vaak, heel af en toe nog eens. Zeker nu het weer uitgezonden wordt. Ik blik daar met een heel goed gevoel op terug. Dat was een hele toffe periode. We hebben hard gewerkt, maar ook goed gelachen. Dat zijn leuke periodes om op terug te kijken. Ik was de smeerlap van dienst en dat vond ik wel leuk. Een slechterik is altijd een uitdaging, maar het liefst van al speel ik comedy.”

Het is al even geleden dat we je nog op televisie zagen. Mis je het?

“Goh, niet direct. Mijn hart ligt toch meer bij theater. De keuze stelt zich niet, maar als ik zou moeten kiezen, zou ik toch niet kunnen leven zonder theater. Zonder televisie wel. Maar mochten ze me bellen voor een leuke rol in een comedyreeks, zou ik er misschien wel voor openstaan, op voorwaarde dat het te combineren is met Het Prethuis.”

Waarvoor mogen ze je pakweg bellen?

“Ik heb heel erg genoten van Nonkels. Mochten ze me daarvoor vragen, zie ik dat direct zitten.”

Met wie zou je graag nog samenwerken?

“Wel, ik heb daarin heel hard genoten van Isabelle Van Hecke (tante Carine in Nonkels, red.), een fantastische actrice. Ik heb het nog niet gevraagd, maar mocht Isabelle het zien zitten om in Het Prethuis te spelen, is ze méér dan welkom.”

Droom je nog van een bepaalde rol?

“Niet echt. Als ik iets wil spelen, dan schrijf ik het meestal zelf. (lacht) Andere acteurs dromen er misschien van om Hamlet te spelen, maar dat interesseert me niet. Mijn sterkte ligt daar ook niet.”

Zie je jezelf dit nog doen binnen tien jaar?

“Ja! Maar ik denk ook dat ik het wel zou kunnen loslaten. Ik zou er wel vrede mee hebben om het mooi af te ronden en terug te blikken op een supertijd. Maar dat zal nog niet binnen tien jaar zijn.” (lacht)

Op woensdag 19 oktober, dag op dag tien jaar na de allereerste voorstelling, speelt ‘De Quaghebeurs’ in De Spil in Roeselare, in samenwerking met De Krant van West-Vlaanderen. Tickets en info via www.kw.be/prethuis.


Jeroen Maes in het kort

Jeroen Maes werd op 4 september 1970 geboren in Ieper, maar verhuisde al vrij snel naar Brugge. Hij heeft nog een broer en een zus. Vader Oswald stond ook regelmatig op de planken. Vandaag woont Jeroen in Antwerpen. Maes volgde kleinkunst aan Studio Herman Teirlinck en ook zang bij Maria Verhaert aan Zangschool Talent. Op televisie was hij onder meer te zien in Thuis, Wat nu weer?!, Nonkel Jef, De Kotmadam, Familie en Wittekerke. Hij dook ook op in F.C. De Kampioenen 3: Forever. Tien jaar geleden richtte hij theatergezelschap Het Prethuis op.