Zeerovers zijn er altijd geweest. Maar vanaf de 17de eeuw maakten de wetboeken het onderscheid tussen erkende kapers en vogelvrije piraten. Er ontstond een juridisch verschil tussen wie illegaal schepen ging plunderen en wie daar het fiat voor had van een koning, admiraliteit of handelscompagnie. Maar aan dek van een zwaarbewapend fregat of een snelle kotter verliep het allemaal veel schimmiger. Veel kapers kleurden buiten de lijntjes en de kaper van de een was vaak de piraat van de ander.
...

Zeerovers zijn er altijd geweest. Maar vanaf de 17de eeuw maakten de wetboeken het onderscheid tussen erkende kapers en vogelvrije piraten. Er ontstond een juridisch verschil tussen wie illegaal schepen ging plunderen en wie daar het fiat voor had van een koning, admiraliteit of handelscompagnie. Maar aan dek van een zwaarbewapend fregat of een snelle kotter verliep het allemaal veel schimmiger. Veel kapers kleurden buiten de lijntjes en de kaper van de een was vaak de piraat van de ander."Wie over een kapersbrief beschikte, mocht legaal schepen op zee aanvallen, maar dan alleen maar schepen uit een vijandelijk land", legt auteur Alban van der Straten (38) uit. De Brusselse filosoof en politicoloog woonde en studeerde een tijd in Brugge. Hij bracht eerder het boek De Belgische Ontdekkingsreizigers uit. "Jouw land moest dus in staat van oorlog zijn om vijandelijke schepen te kunnen kapen. Tien procent van de buit ging naar de koning en de rest mocht je houden, al kon die verhouding soms variëren.""Het opzet van mijn boek was om de grijze zone te onderzoeken tussen piraten en kapers. Dat verschil was louter juridisch, want dikwijls werd er buiten de lijntjes gekleurd. Wie de ene dag kaper was, kon de andere dag piraat zijn. En ook al was je officieel een kaper, officieus was je dikwijls ook piraat."Als kustbewoners kaapten ook de West-Vlamingen hun deel van de koek weg. Oostende en Nieuwpoort stonden traditioneel dicht bij hun grotere zusterstad Duinkerke - toen Vlaanderen, nu Frankrijk. "Ze maakten integraal deel uit van de beruchte Duinkerker kapers, die onder verschillende vlaggen de noorderzeeën onveilig maakten tussen de 16de en de 19de eeuw", vertelt Alban van der Straten.Tijdens de opstand van de Nederlanden tegen de Spaanse overheerser in de 16de eeuw was Oostende in handen van het al van Spanje afgescheurde Nederland. Het was ook een belangrijk kapersbolwerk. Na een belegering van vier jaar - het Beleg van Oostende - viel de stad in 1604 toch ten prooi aan de Spanjaarden. Vanaf toen vochten de Oostendse kapers aan de zijde van de Spaanse Armada een bittere strijd uit tegen de Vlissinger kapers. Vijanden werden systematisch als piraat beschouwd en overboord gegooid, wat eufemistisch de voetspoeling werd genoemd.Noemenswaardige kapiteins waren naast Gaspard Rombout en Adriaen Diericksenen ook de Genuese condottiere - militaire bevelhebber - Federico Spinola met zijn galeien. Jacob Besage, die een straatnaam kreeg op de Opex, was een Oostendse kaper die de Nederlandse zeeheld Piet Hein in een zeegevecht in 1629 aan zijn einde bracht met een kanonschot. Bij dezelfde zeeslag kwam Besage weliswaar zelf ook om het leven. Sommige Vlaamse - Duinkerkse - kapers vervoegden de Spaanse Armada en verwierven er zelf de rang van admiraal, zoals Michel Jacobsen, Mathieu Rombout, Michiel Dorne en vooral Jacques Colaert."Midden 17de eeuw viel Duinkerke in Franse handen en bleven Nieuwpoort en Oostende onder Spaans bewind. Toch bleven zij nauw samenwerken en maakten zij gebruik van elkaars vlaggen en kapersbrieven om te kunnen kapen. Die versnippering was eigenlijk een opportuniteit voor hen", weet Alban van der Straten. "Sociologisch bleven er heel nauwe banden bestaan tussen die steden."Latere Duinkerkse kapers, onder Franse vlag, waren Cornil Saus of Nicolas Baeteman, maar de grote held is zonder twijfel Jan Baert (1650-1702), de beer van Duinkerke en ook wel bekend als Jean Bart, die een lange reeks triomfen op zijn naam mag schrijven. Met zijn flottieljes (vloot, red.) van wendbare kapersfregatten wist hij ontelbare Nederlandse haringbuizen en oorlogsschepen te veroveren. In 1694 heroverde hij een tarwevloot en redde daarmee Frankrijk van de hongersnood, wat hem eeuwige faam opleverde. "Jan Baert is geleidelijk aan een Franse held geworden, maar was Nederlandstalig en sprak heel slecht Frans. Hij bleef zijn leven lang een Vlaming, maar onder Frans gezag", zegt Alban.Oostendenaars en Nieuwpoortenaren voeren voornamelijk op kleine doggers en snauwen. Zij opereerden vooral dicht bij hun kust en af en toe, in samenwerking met Duinkerkers, tot ver in de Noordzee. De bloeiperiode van hun kaapvaart is de Spaanse Successieoorlog (1701-1714), de strijd om de Spaanse troon tussen enerzijds vooral Frankrijk en anderzijds onder meer Oostenrijk, Engeland en Nederland. De Oostendse kapers waren heel succesvol, tot de haven in 1706 in Engels-Nederlandse handen viel. Toen nam Nieuwpoort de fakkel over, tot in 1714.De belangrijkste Oostendse en Nieuwpoortse redersfamilies hadden belangen in de kaapvaart, zoals de families Carpentier, Dyserim en de Potter. De drie productiefste kapiteins waren Joannes Lendersen, Pieter De Rij en Thomas Gournay. Twee schepen, de Sint-Franciscus en de Onze-Lieve-Vrouw van Troost, brachten 48 procent van de buit binnen. De eerste kaapte 80 schepen en de tweede weliswaar slechts 15, maar daaronder waren wel twee Nederlandse schepen met erg kostbare ladingen. Later in de 18de eeuw flakkerde de kaapvaart af en toe nog op in de Vlaamse havens, maar nooit meer op dezelfde schaal. De mythevorming kon beginnen.