De avond van 16 juni 2014 zou de beklaagde zijn stiefdochter gevolgd zijn naar haar slaapkamer. Onder bedreiging van een groot vleesmes moest het meisje zich naar eigen zeggen uitkleden en eiste V. seks. De beklaagde sloeg de volgende dag op de vlucht, waardoor hij pas een maand later kon ingerekend worden. Uiteindelijk werd hij niet voorgeleid bij de onderzoeksrechter.

Vlak voor de feiten had de Bredenaar zichzelf verwond met het mes. De advocaat van de burgerlijke partij merkte op dat het bloed en het sperma op het meisje het DNA-profiel van de beklaagde hadden. Het openbaar ministerie verwees naar het strafblad van de beklaagde. In januari 2013 werd V. immers tot 18 maanden cel veroordeeld voor aanranding van diezelfde stiefdochter.

In dat dossier werd de beklaagde vrijgesproken voor verkrachting. Het slachtoffer zou toen in een brief zelfs letterlijk geschreven hebben dat de verkrachting nooit had plaatsgevonden. De verdediging verwees tijdens de debatten uitgebreid naar het oude dossier. V. geeft trouwens wel toe dat hij seksuele betrekkingen had met zijn stiefdochter. "Moreel is het afkeurenswaardig van op haar voorstel in te gaan, maar dat maakt het nog geen verkrachting", aldus meester Jan De Groote. De zaak werd in september een eerste keer behandeld, maar de rechtbank stelde uiteindelijk een polygraaftest voor. Tijdens die test met de zogenaamde leugendetector werden bij de beklaagde leugenachtige reacties vastgesteld.

De rechtbank stelde vast dat er wel aanwijzingen waren, maar geen concrete materiële bewijzen. In die omstandigheden zagen de rechters geen redenen om te twijfelen aan het verhaal van de beklaagde. Bovendien vinden ze het niet ongeloofwaardig dat V. na de feiten uit schaamte wegvluchtte. Anderzijds bestaan er wel twijfels rond het verhaal van zijn stiefdochter. Zo zou ze naar eigen zeggen luid geroepen hebben, maar heeft niemand dat gehoord. Ze beweerde ook een vuistslag gekregen te hebben, terwijl geen dergelijke verwondingen werden vastgesteld.

(BELGA)